Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2022:3334

Rechtbank Den Haag · 14-03-2022 · zaaknummer AWB 20/5587, AWB 20/6383 en AWB 20/6394

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 12-04-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent, hun (gestelde) vader. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat referent niet voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 3.15 van het Vb; hij heeft namelijk een rechtmatig verblijf dat tijdelijk is in de zin van artikel 3.5 van het Vb. Verweerder heeft de afwijzing vervolgens in bezwaar gehandhaafd maar dan om de reden dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste, omdat referent een bijstandsuitkering ontvangt en omdat niet is gebleken dat er sprake is van vrijstellingsgronden van het middelenvereiste in de zin van artikel 3.22, tweede lid, van het Vb of individuele omstandigheden als bedoeld in het Chakroun arrest. Niet is in geschil dat referent niet aan het middelenvereiste voldoet. In geschil is of het tegenwerpen van de voorwaarde ‘niet voldoen aan het middelenvereiste’ in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn, althans afbreuk doet aan het nuttig effect daarvan, bij referenten aan wie een verblijfsvergunning is verleend met de aantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Uit artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder i, van het Vb blijkt dat een vergunning onder de beperking “medische behandeling” is aan te merken als een tijdelijke verblijfsvergunning. De bevoegdheid die in artikel 3.13, tweede lid, van het Vb is opgenomen, om in die gevallen een vergunning te verlenen, is ingevuld in paragraaf B7/3.5 van de Vc. Deze regelgeving zal in veel gevallen aan een referent met een tijdelijke verblijfsvergunning met verblijfsdoel “medische behandeling” de mogelijkheid bieden vrijstelling te krijgen van het middelenvereiste. In het geval van referent gaat dat echter niet op. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat het tegenwerpen van deze voorwaarde alleen daarom al in strijd is met doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Referent kan immers na drie jaar een aanvraag indienen om een niet-tijdelijke vergunning. Dit leidt de facto niet tot een ongeoorloofde wachttijd. Dit neemt niet weg dat er individuele omstandigheden kunnen zijn die maken dat de tegenwerping van het middelenvereiste in dit geval toch in strijd is met doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft daar te weinig aandacht aan besteed en het besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens voor de omstandigheden die verweerder in het kader van de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM moet betrekken. Daartoe is het volgende van belang. Verweerder heeft in het bestreden besluit een andere afwijzingsgrond gehanteerd dan in het primaire besluit en dit is in strijd met werkinstructie 2019/16 omdat hieruit volgt dat het in de rede ligt om in bezwaar te horen als tijdens de bezwaarprocedure een nieuwe afwijzingsgrond van toepassing is geworden. De schriftelijk gestelde vragen hadden geen betrekking op het middelenvereiste en eventuele bijzondere omstandigheden in dat kader. Verweerder heeft referent in de bestuurlijke fase daarbij niet bevraagd in hoeverre hij, gelet op zijn ziektebeeld, in staat is voor de kinderen te zorgen, terwijl verweerder dit in het kader van de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM wel ten nadele van eisers laat meewegen in zijn besluit. Verweerder heeft daarom ook de belangen van de kinderen in de zin van artikel 3 van het IVRK onvoldoende betrokken. Bovendien stelt verweerder in het bestreden besluit ten onrechte dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd als bedoeld in het arrest Chakroun. Omdat het middelenvereiste in het primaire besluit niet werd tegengeworpen, kan verweerder in het bestreden besluit niet tegenwerpen dat er in dit kader geen omstandigheden zijn aangevoerd. De beroepen zijn gegrond.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.