ECLI:NL:RBDHA:2022:3132
Rechtbank Den Haag · 07-04-2022 · zaaknummer 20/960 BEPTDN
Inhoudsindicatie
Eiser betoogt terecht dat de termijn van vier weken neergelegd in artikel 62, eerste lid, van de Vw geen juiste implementatie is van artikel 30, derde lid, van de Verblijfrichtlijn. Uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn, waarop eiser een rechtstreeks beroep kan doen, gelezen in samenhang met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van Verordening 1182/71 volgt dat de vertrektermijn in beginsel niet korter mag zijn dan dertig dagen. Nu er geen sprake is van een dringend geval als bedoeld in die bepaling, had eiser een vertrektermijn van dertig dagen moeten worden gegeven. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat een juiste implementatie ook in een termijn van langer dan dertig dagen zou kunnen resulteren. Bij het Vb heeft een afweging daarover al plaatsgevonden die niet heeft geleid tot het hanteren van een langere termijn dan de vermeende minimumtermijn op grond van artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
