ECLI:NL:RBDHA:2022:227
Rechtbank Den Haag · 05-01-2022 · zaaknummer C/09/622486 / JE RK 21-2991
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter acht zich bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Op grond van art. 5 Rv heeft de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Hoewel de kinderrechter meent dat de minderjarige op het moment van indiening van het verzoekschrift zijn/haar gewone verblijfplaats heeft in Tunesië, is er volgens de kinderrechter voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de Nederlandse rechter Nederlands recht toe als zijn interne recht. De kinderrechter oordeelt verder dat de minderjarige overeenkomstig art. 1:12 BW de woonplaats van de moeder volgt. Dit maakt dat er op grond van art. 262 tot en met 268 Rv geen rechter als relatief bevoegde rechter aangewezen kan worden. In een dergelijk geval is de rechter te ’s-Gravenhage bevoegd (art. 269 Rv).
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
