Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2022:15565

Rechtbank Den Haag · 05-12-2022 · zaaknummer AWB 21/5845

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 24-02-2023
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt in dit geval geregeld door het nationale recht en niet het Associatierecht. Eiser is namelijk na afloop van zijn verblijfsvergunning regulier niet langer aan te merken als werknemer in de zin van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij op grond van het Associatierecht vanaf 27 december 2019 doorlopend en van rechtswege verblijfsrecht heeft en dat hij per 1 december 2021 vrij is op de arbeidsmarkt op grond van Besluit 1/80. Eiser heeft pas in de bezwaarfase aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als zelfstandige”. Eiser voert verder aan dat de regel van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, kolom II, Vb waarbij de verblijfsvergunning voor twee jaar wordt verleend, in strijd is met het Associatierecht. De rechtbank is het met eiser eens, dat het nationale recht wel kan worden beperkt door de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, in die zin dat er geen ongunstiger bepalingen mogen worden ingevoerd. De geldigheidsduur van een verblijfsvergunning ten tijde van het afsluiten van het Aanvullend Protocol was één jaar was voor alle vreemdelingen, met uitzondering van onderdanen van de lidstaten van de EEG. Eiser is niet aan te merken als een onderdaan van de EU en hoeft evenmin op dezelfde wijze worden behandeld. Turkse onderdanen hebben namelijk niet dezelfde rechten als gemeenschapsonderdanen. Dat betekent dat op het verlenen van een verblijfsvergunning van een Turkse onderdaan voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, artikel 24 van het VV (oud) van toepassing was. In dat artikel was in het eerste lid bepaald dat de duur waarvoor een vergunning tot verblijf wordt verleend ten hoogste één jaar bedraagt. Verweerder heeft daarom niet in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol gehandeld door aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen voor de duur van twee jaar, er is juist sprake van een gunstigere behandeling.

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.