Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2022:12112

Rechtbank Den Haag · 18-10-2022 · zaaknummer NL21.19037

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 16-11-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Dublin/Frankrijk. De vreemdeling stelt dat de staatssecretaris ten aanzien van Frankrijk niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat hij bovendien heeft te vrezen voor indirect refoulement omdat het in Frankrijk geldende asielbeleid voor Somaliërs volstrekt anders is dan in Nederland. De rechtbank is echter van oordeel dat de staatssecretaris ten aanzien van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816) en 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256). De vreemdeling heeft met zijn verklaringen over hetgeen hem in Frankrijk is overkomen en met de bronnen waarnaar hij in zijn gronden heeft verwezen niet aannemelijk gemaakt dat hiervan ten aanzien van Frankrijk niet langer kan worden uitgegaan. Ofschoon uit die informatie blijkt dat zich ook voor Dublinterugkeerders problemen kunnen voordoen of hebben voorgedaan op onder andere het gebied van de (bereikbaarheid) van de opvang, registratie van de aanvraag, en toegankelijkheid tot medische zorg, komt daaruit niet het beeld naar voren dat in Frankrijk sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. Uit het AIDA rapport van 18 maart 2021 volgt weliswaar dat de asielopvang in Frankrijk gebreken kent, maar niet dat de situatie voor Dublinterugkeerders in Frankrijk wezenlijk is veranderd ten opzichte van de situatie die volgt uit de landeninformatie die als is beoordeeld door de Afdeling in voornoemde uitspraken. De vreemdeling heeft niet verwezen naar informatie van meer recente datum, die een significant ander beeld schetst. Eveneens van belang acht de rechtbank dat uit de informatie waarnaar de vreemdeling heeft verwezen, blijkt dat de situatie van asielzoekers de Franse overheid niet onverschillig laat. Tevens wordt in aanmerking genomen dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te nemen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Bij voorkomende problemen ligt het op de weg van de vreemdeling om daarover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. De rechtbank volgt de vreemdeling ook niet in diens stelling dat hij heeft te vrezen voor indirect refoulement bij terugkeer naar Frankrijk. De vreemdeling heeft niet aangetoond dat er tussen Frankrijk en Nederland een evident en fundamenteel verschil bestaat in beschermingsbeleid voor Somalische asielzoekers. Zo heeft hij geen informatie overgelegd waaruit volgt dat Frankrijk in vergelijkbare omstandigheden een ander beleid voor Somalische asielzoekers voert dan Nederland. Het enkele verschil in inwilligingspercentages is onvoldoend om die conclusie te trekken. Of een asielaanvraag wordt ingewilligd hangt in overwegende mate af van de individuele merites van de zaak. De rechtbank verwijst tevens naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1885). Hierin overweegt de Afdeling dat deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, in haar uitspraak van 13 juni 2022 (NL22.9008) terecht heeft overwogen dat de vreemdeling (in die zaak) niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verschil tussen het Franse en Nederlandse beschermingsbeleid voor Somaliërs zo evident en fundamenteel is dat zij door overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op refoulement. Bovendien heeft de vreemdeling in deze zaak geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat de Franse rechter hem niet zal beschermen tegen een onmenselijke behandeling als hij dat risico bij terugkeer naar Somalië loopt. Uit het Franse claimakkoord volgt verder dat de vreemdeling niet tot aan de (hoogste) Franse rechter heeft doorgeprocedeerd. Het claimverzoek is immers geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening en niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. De vreemdeling heeft geen stukken ingebracht waaruit iets anders blijkt.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.