ECLI:NL:RBDHA:2022:11010
Rechtbank Den Haag · 01-08-2022 · zaaknummer NL22.1036
Inhoudsindicatie
IB 2020/62 – lidmaatschap van politieke partij en politieke activiteiten geloofwaardig – onjuist toetsingskader - of dit voort komt uit een fundamentele politieke overtuiging is irrelevant – het gaat om de beoordeling van de vrees bij terugkeer vanwege het lidmaatschap en de verrichte activiteiten – verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 16 februari 2022 over de vervolgingsgrond politieke overtuiging De vreemdeling heeft verklaard dat hij in Nigeria onder meer problemen heeft ondervonden vanwege zijn lidmaatschap van de politieke partij IPOB en de activiteiten die hij voor die partij heeft verricht. De staatssecretaris acht geloofwaardig dat de vreemdeling lid was van deze partij en activiteiten heeft verricht, maar acht niet geloofwaardig dat bij de vreemdeling sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. De staatssecretaris acht evenmin geloofwaardig dat de vreemdeling problemen heeft ondervonden vanwege het lidmaatschap van IPOB en de activiteiten die hij heeft verricht. Volgens de staatssecretaris is niet aannemelijk dat de door de vreemdeling in Nigeria en Nederland ontplooide activiteiten tot een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer zullen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het deel van het relaas dat ziet op de problemen in verband met de politieke activiteiten en het lidmaatschap van IPOB ongeloofwaardig is. Voor wat betreft het geloofwaardig geachte deel van dit relevante element, te weten het lidmaatschap van IPOB en de activiteiten die voor deze partij zijn verricht, stelt de rechtbank vast dat de staatssecretaris onder verwijzing naar informatiebericht 2020/62 (IB 2020/62) eerst heeft getoetst of sprake is van een fundamentele politieke overtuiging bij de vreemdeling en de geloofwaardigheid daarvan heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De staatssecretaris had niet (eerst) moeten beoordelen of de geloofwaardig geachte activiteiten voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging, maar had het geloofwaardig geachte deel van dit relevante element moeten doortoetsen en moeten beoordelen of de vrees bij terugkeer vanwege deze door de vreemdeling verrichte activiteiten aannemelijk en voldoende zwaarwegend is. Dit had de staatssecretaris moeten doen zonder daarbij te betrekken of sprake is van een fundamentele politieke overtuiging en zonder daaraan het gevolg te verbinden dat van de vreemdeling, bij gebrek aan een fundamentele politieke overtuiging, terughoudendheid bij terugkeer wordt verwacht. De rechtbank legt aan de hand van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:505) uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
