ECLI:NL:RBDHA:2021:8685
Rechtbank Den Haag · 08-07-2021 · zaaknummer SGR 20/7044
Inhoudsindicatie
Onbestreden is dat de vreemdeling meermalen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor geweldsmisdrijven, namelijk diefstallen met geweld, waaronder vier keer straatroof (tasjesroof). Anders dan verweerder meent, kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze veroordelingen niet worden opgemaakt dat sprake is geweest een misdrijven die een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit van een slachtoffer hebben gemaakt. Dat deze misdrijven in het WvSr worden gekwalificeerd als geweldsmisdrijven is daartoe onvoldoende. Zoals hiervoor is weergegeven in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 22b WvSr moet immers per delict aan de hand van de feiten en omstandigheden worden beoordeeld of sprake is geweest van een misdrijf die een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van een slachtoffer tot gevolg heeft gehad.[1] Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder van de specifieke feiten en omstandigheden van de tegengeworpen misdrijven is uitgegaan. Verweerder heeft ook geen strafvonnissen overgelegd waarin de strafrechter een dergelijke beoordeling heeft gemaakt. Ook ter zitting heeft verweerder desgevraagd geen nadere toelichting kunnen geven op de vraag wat de feiten en omstandigheden waren van de misdrijven waaruit moet blijken dat er sprake was van een geweldmisdrijf die een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg had. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat sprake was van misdrijven als bedoeld in artikel 22b WvSr, op grond waarvan de uitzondering van artikel 3.86, lid 10, van het Vb niet van toepassing was op de situatie van eiser. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar is veroordeeld voor een misdrijf als bedoeld in artikel 2C van de Opiumwet, maar dat anders dan waar verweerder in het bestreden besluit van uit lijkt te gaan, dit geen veroordeling betreft voor handel in harddrugs. Er is enkel sprake van een veroordeling voor het aanwezig hebben van een bepaalde hoeveelheid harddrugs. De stelling ter zitting van verweerder dat dit voldoende is om toepassing te geven aan artikel 3.86, lid 10, onder b, van het Vb, en dat het niet uitmaakt hoeveel harddrugs bij eiser zijn aangetroffen, volgt de rechtbank niet. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de nieuwe glijdende schaal blijkt dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om enkel bij zeer ernstige misdrijven die de rechtsorde schokken over te gaan tot intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd na een verblijf van meer dan 20 jaar. Nu geen sprake is geweest van handel in harddrugs maar enkel bezit, was het aan verweerder om in het besluit te motiveren waarom het bezit van een bepaalde hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik een dergelijk ernstig misdrijf is. De rechtbank betrekt daarbij dat het bezit van een geringe hoeveelheid harddrugs voor eigen gebruik niet per definitie een misdrijf is die als zeer ernstig moet worden beschouwd en die de rechtsorde schokt. De rechtbank betrekt daarbij ook de LOVS (oriëntatiepunten voor straftoemeting) bij veroordelingen op grond van artikel 2C van de Opiumwet. Er is een grote discrepantie in de straffen, variërend van een geldboete van € 750,- tot 48 maanden gevangenisstraf indien wordt gehandeld in georganiseerd verband. Dat de hoeveelheid harddrugs die bij eiser is aangetroffen niet relevant is, volgt de rechtbank dan ook niet. Gelet hierop heeft verweerder ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat sprake was van een opiumdelict, op grond waarvan de uitzondering van artikel 3.86, lid 10, van het Vb niet van toepassing was op de situatie van eiser.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
