Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2021:8046

Rechtbank Den Haag · 26-04-2021 · zaaknummer AWB 19/9162

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 26-07-2021
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft het beroep van een Dublinclaimant die in Nederland aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ in het kader van mensenhandel, terecht getoetst aan het nieuwe beleid (WBV 2019/10; paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000), omdat de aangifte van mensenhandel is ingediend na 1 augustus 2019 (de datum van inwerkingtreding van dat nieuwe beleid). Van een geuite wens om aangifte te doen voor 1 augustus 2019 is niet gebleken en had, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4297), ook niet tot een andere conclusie geleid. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beleid in paragraaf B8/3.1 niet in strijd is met artikel 8 van de Richtlijn 2004/81/EG. De rechtbank leest de in artikel 8, eerste lid, onder a, genoemde voorwaarde zo dat door het Openbaar Ministerie (OM) moet zijn vastgesteld dat de aanwezigheid in Nederland van de vreemdeling noodzakelijk is ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Dat verweerder voor bepaalde categorieën vreemdelingen begunstigend beleid voert of voerde, door direct na de aangifte een verblijfsvergunning te verlenen, zonder het onderzoek door het OM naar de noodzakelijkheid van de aanwezigheid in Nederland van de vreemdeling af te wachten, maakt nog niet dat artikel 8 van de Richtlijn op dit punt onjuist is geïmplementeerd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het nieuwe beleid van verweerder niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de Richtlijn blijkt volgens de rechtbank niet dat eenmaal ingesteld begunstigend beleid nadien niet kan worden beëindigd of beperkt. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder het beslismoment ter zake van de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verplaatst naar het moment dat het OM heeft beslist dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel al dan niet noodzakelijk is. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het beroep op het arrest Rantsev slagen niet.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.