ECLI:NL:RBDHA:2021:2676
Rechtbank Den Haag · 22-02-2021 · zaaknummer AWB 19/1849, AWB 20/3966 en AWB 20/3968
Inhoudsindicatie
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als gezinslid met terugwerkende kracht en inreisverbod voor de duur van 10 jaar in verband met plegen strafbare feiten. De rechtbank is allereerst met eiser van oordeel dat de belangenafweging in het kader van artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn niet altijd één op één gelijk is te stellen met de toets aan artikel 8 EVRM. Welke omstandigheden worden meegewogen, is immers steeds afhankelijk van de individuele omstandigheden van de vreemdeling. In deze zaak leidt dit echter niet tot het oordeel dat verweerder op onjuiste wijze heeft getoetst aan artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiser, meer specifiek de aard en de hechtheid van de gezinsband met zijn moeder, zus en vriendin, de duur van zijn verblijf in Nederland en met het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met Suriname. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gezins- en familieleven tussen eiser en zijn moeder, zijn zus en de relatie met zijn vriendin niet vallen onder de bescherming van artikel 8 EVRM. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM ten aanzien van eisers privéleven in Nederland kenbaar heeft betrokken. Verweerder heeft bij de belangenafweging in het nadeel van eiser betrokken dat eiser twee geweldsmisdrijven heeft gepleegd. Verweerder heeft echter niet kenbaar meegewogen dat eiser gedurende zijn rechtmatig verblijf in Nederland van 9 jaar en zes maanden geen andere strafbare feiten heeft gepleegd en dat hij ten tijde van het plegen van deze strafbare feiten zestien en negentien jaar oud was. Niet is beoordeeld of sprake is van “juvenile delinquency’. Evenmin is betrokken in de belangenafweging dat het eerste delict van 10 februari 2010 een minder zwaar geweldmisdrijf betreft in verhouding tot het tweede delict, te weten een poging tot zware mishandeling. Voorts is door verweerder niet betrokken dat eiser voor dit eerste delict enkel een taakstraf heeft gekregen, waarvan een deel ook voorwaardelijk. Ten slotte heeft verweerder ook de tijd die is verstreken sinds de misdrijven zijn gepleegd, niet betrokken terwijl dit op grond van het arrest Maslov ook bij de belangenafweging betrokken dient te worden. Omdat verweerder deze feiten en omstandigheden niet kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken, is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verweerder zal in een nieuwe belangenafweging deze feiten en omstandigheden alsnog dienen te betrekken en opnieuw beoordelen of sprake is van een fair balance tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Beroep gegrond.
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
