ECLI:NL:RBDHA:2020:9470
Rechtbank Den Haag · 15-09-2020 · zaaknummer AWB 19/3234
Inhoudsindicatie
Verzoek bestuurlijke heroverweging van intrekking verblijfsvergunning. Verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd, ingangsdatum. Eisers eerder verleende verblijfsvergunning is in 2014 ingetrokken o.g.v. individuele ambtsberichten van de AIVD, waaruit blijkt dat eiser een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. Ook is aan eiser een inreisverbod opgelegd van 20 jaar. Uit een individueel ambtsbericht van de AIVD uit juni 2018 blijkt dat eiser afstand heeft genomen van het jihadistische gedachtegoed en van personen die het jihadistische gedachtegoed aanhangen. Eiser heeft in juli 2018 verzocht om opheffing van het inreisverbod, om bestuurlijke heroverweging van de intrekking van de verleende verblijfsvergunning en om verlening van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd. Verweerder heeft het inreisverbod opgeheven. Het verzoek om bestuurlijke heroverweging is afgewezen. En aan eiser is de gevraagde verblijfsvergunning verleend, m.i.v. 10 september 2018 (datum aanvraag). Verzoek om bestuurlijke heroverweging Eiser voert aan dat hij sinds april 2016 aan de voorwaarden voldoet, omdat uit het ambtsbericht van 21 juni 2018 blijkt dat hij vanaf april 2016 afstand heeft genomen van het jihadistische gedachtegoed en van personen die het jihadistische gedachtegoed aanhangen. Dat de AIVD twee jaar heeft gewacht met het uitbrengen van het ambtsbericht, kan volgens eiser niet voor zijn rekening en risico komen. De rechtbank stelt voorop dat met de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016 in rechte is komen vast te staan dat eiser o.g.v. de individuele ambtsberichten van 21 februari 2014 en van 24 november 2015 een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. In het ambtsbericht van 21 juni 2018 staat: "Sinds april 2016 beschikt de AIVD over informatie waaruit valt op te maken dat [eiser], geboren [...], afstand heeft genomen van het jihadistische gedachtegoed en van personen die het jihadistische gedachtegoed aanhangen. De mededeling dat de AIVD [eiser] een gevaar acht voor de nationale veiligheid, zoals in februari 2014 en november 2015 per ambtsbericht is medegedeeld aan de Immegratie- en Naturalisatiedienst (IND), wordt niet langer gedragen.". Gelet op de tekst van het ambtsbericht van 21 juni 2018 handhaaft de AIVD het standpunt dat eiser vóór 2016 een gevaar heeft gevormd voor de nationale veiligheid, welk standpunt met voornoemde uitspraak van de Afdeling ook in rechte is komen vast te staan. Verder ziet de informatie op april 2016 en later. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat in de informatie uit het ambtsbericht van 21 juni 2018 geen grond is gelegen om de intrekking van de verblijfsvergunning te heroverwegen. De ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning Anders dan eiser betoogt, is in dit geval het bepaalde van artikel 26, derde lid, Vw 2000 niet van toepassing. Een redelijke uitleg van dat artikellid brengt mee dat die bepaling uitsluitend ziet op de gevallen waarin de vreemdeling verlenging wenst van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning of verlening van een verblijfsvergunning in aansluiting op een eerdere verblijfsvergunning. Het betoog van dat hij sinds april 2016 voldoet aan alle voorwaarden en dat artikel 26, eerste lid, Vw 2000 zich niet verzet tegen een ingangsdatum met terugwerkende kracht per april 2016, treft geen doel. In artikel 26, eerste lid, Vw 2000 is in duidelijke bewoordingen neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend m.i.v. de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan m.i.v. de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De onderhavige aanvraag is eerst op 10 september 2018 ontvangen. Verweerder heeft de ingangsdatum van de verblijfsvergunning dan ook terecht bepaald op die datum. Ook de uiteenzetting van eiser dat het hem niet mag worden aangerekend dat de AIVD de in het ambtsbericht van 21 juni 2018 neergelegde informatie niet eerder heeft uitgebracht, stuit af op de hiervoor geschetste betekenis van artikel 26, eerste lid, Vw 2000 en het gegeven dat de onderhavige aanvraag op 10 september 2018 is ontvangen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
