ECLI:NL:RBDHA:2020:7860
Rechtbank Den Haag · 17-07-2020 · zaaknummer 20/5630
Inhoudsindicatie
Het COa heeft in een brief van 2 juli 2020 aan verzoekster medegedeeld dat haar opvang wordt stopgezet. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Anders dan het COa, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief van 2 juli 2020 is aan te merken als een handeling van het COa die volgens artikel 5, tweede lid, van de Wet COa met een besluit is gelijk gesteld. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verzoekster, anders dan zij betoogt, niet op grond van artikel 7.3 van het Vb 2000 recht heeft op opvang gedurende haar hoger beroepsprocedure tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Artikel 7.3 van het Vb 2000 betreft de implementatie van artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn. Die richtlijnbepaling gaat over het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Uit de punten 57 en 58 van het arrest Gnandi volgt dat dat recht moet worden verzekerd door daarbij een recht toe te kennen op een doeltreffend beroep met van rechtswege schorsende werking bij ten minste één rechterlijke instantie, en niet zoals verzoekster kennelijk meent, bij ten minste twee rechterlijke instanties. Verder wijst de voorzieningenrechter op het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019. De Afdeling heeft overwogen dat uit de punten 23 tot en met 33 van het arrest X en Y volgt dat de artikelen 46 van de Procedurerichtlijn en 13 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 18, 19, tweede lid, en 47 van het EU Handvest niet dwingen tot het van rechtswege toekennen van schorsende werking aan het instellen van hoger beroep in asielzaken. Het Nederlandse systeem in asielzaken, waarin geen automatisch schorsende werking is verbonden aan het instellen van hoger beroep en evenmin aan het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat hoger beroep, is dus in beginsel in overeenstemming met het Unierecht, aldus de Afdeling. Met de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende verzoeksters beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag, is verzoeksters recht op opvang geëindigd. Er bestaat geen rechtsgrondslag voor continuering van de opvang vanwege verzoeksters persoonlijke omstandigheden. Het verzoek wordt afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verzoekster]
verzoekster · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
