ECLI:NL:RBDHA:2020:13035
Rechtbank Den Haag · 17-12-2020 · zaaknummer AWB 19/9476
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier (humanitair tijdelijk), aangifte mensenhandel. Bedenktijd (art. 6 Richtlijn 2004/81/EG) en Dublinclaimanten. Verblijfsrecht en andere rechten. Beleidswijziging (WBV 2019/10). Bedenktijd (art. 6 Richtlijn 2004/81/EG) en Dublinclaimanten Niet in geschil is dat uit B8/3.1 Vc 2000 volgt dat vreemdelingen op wie de Dublinovereenkomst van toepassing is (Dublinclaimanten), geen bedenktijd krijgen en dat de staatssecretaris in dit geval overeenkomstig de beleidsregels heeft gehandeld door eiser geen bedenktijd te geven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt echter uit artikel 6, in samenhang met artikel 3, van Richtlijn 2004/81/EG dat onderdanen van derde landen, indien aan de orde, bedenktijd moeten krijgen en dat Dublinclaimanten hiervan niet zijn uitgezonderd. In zoverre is richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk en is de beroepsgrond terecht voorgedragen. Deze beroepsgrond kan echter niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het volgende. Allereerst volgt uit artikel 6, derde lid, van Richtlijn 2004/81/EG dat bedenktijd op zichzelf geen recht op verblijf met zich brengt. Verder volgt uit artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG dat ook al kan worden bekeken of de desbetreffende onderdaan van een derde land voldoet aan de voorwaarden voor de afgifte van een verblijfstitel zodra deze duidelijk blijk heeft gegeven van zijn bereidheid tot medewerking. Naar het oordeel van de rechtbank is zo’n situatie hier aan de orde. Eiser heeft in het aanmeldgehoor van 5 mei 2019 met zoveel woorden verklaard slachtoffer te zijn van mensenhandel. De gemachtigde van eiser heeft daarna in een brief van 9 juli 2019 de AVIM bericht dat eiser slachtoffer is van mensenhandel en dat hij hiervan aangifte wil doen bij de politie. Daarbij is erop gewezen dat de IND op 13 juni 2019 signalen van mensenhandel heeft doorgezet aan de AVIM. Eiser heeft daarmee duidelijk laten blijken bereid te zijn mee te werken aan een onderzoek naar mensenhandel. Eiser heeft ook vervolgens op 9 oktober 2019 aangifte gedaan. Gesteld noch gebleken is dat de keuze van eiser om mee te werken niet weloverwogen is geweest. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser al die tijd o.g.v. artikel 8, onder m, Vw 2000 rechtmatig verblijf heeft gehad en dat niet in geschil is dat hij uit dien hoofde toegang heeft gehad tot een behandeling als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2004/81/EG. In zoverre valt niet in te zien dat eiser is benadeeld en hem relevante voorzieningen zijn onthouden. Verblijfsrecht en andere rechten De beroepsgrond van eiser dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van Richtlijn 2004/81/EG en dat hij daarom o.g.v. artikel 3.48 Vb 2000 een verblijfsvergunning had moeten krijgen, slaagt niet. Uit B8/3.1 Vc 2000 volgt dat een aanvraag van een Dublinclaimant wordt afgewezen nadat een bericht is ontvangen van het OM, dat de aanwezigheid van de desbetreffende vreemdeling in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. Daarmee is in de desbetreffende beleidsregels uitgewerkt dat als de desbetreffende vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarde voor een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van Richtlijn 2004/81/EG hem o.g.v. het tweede lid van die bepaling geen verblijfstitel mag worden verleend. Uit artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 2004/81/EG volgt, dat het moment waarop door de bevoegde autoriteit wordt bekeken of de onderdaan van een derde land dienstig is voor het onderzoek (mede)bepalend is voor de vraag of aan de voorwaarde onder b wordt voldaan. Anders dan eiser betoogt, volgt uit artikel 8 niet dat ook als de vreemdeling dienstig voor het onderzoek is geweest hij – met terugwerkende kracht – in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Gelet op het voorgaande en omdat vaststaat dat op het moment dat de staatssecretaris het primaire besluit heeft genomen eiser een Dublinclaimant was en het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van eiser niet noodzakelijk wordt geacht, heeft de staatssecretaris o.g.v. artikel 3.48 Vb 2000 niet de bevoegdheid om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Andere rechten – dan de hiervoor besproken bedenktijd en verblijfsrecht – die een onderdaan van een derde land als gesteld slachtoffer van mensenhandel gedurende een strafrechtelijk onderzoek heeft, zijn hier niet aan de orde alleen al omdat niet in geschil is dat met genoemde brief van het OM het strafrechtelijk onderzoek is beëindigd. Beleidswijziging De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de met WBV 2019/10 ingezette wijziging van de beleidsregels in B8/3.1 Vc 2000 in strijd is met Richtlijn 2004/81/EG. De rechtbank stelt daarbij voorop, dat artikel 4 van Richtlijn 2004/81/EG de lidstaten niet belet om voor personen die onder deze richtlijn vallen, gunstigere bepalingen vast te stellen of te handhaven. Uit deze bepaling, noch uit andere bepalingen van deze richtlijn, kan een uitleg worden afgeleid die erop neerkomt dat gunstigere bepalingen niet meer kunnen worden teruggedraaid. Niet in geschil is dat vóór de inwerkingtreding van WBV 2019/10 het beleid was om (ook) aan Dublinclaimanten direct na de aanvraag en voor de standpuntbepaling door het OM een vergunning te verlenen. Evenmin in geschil is dat dat beleid qua voorwaarden voor vergunningverlening gunstiger is dan artikel 8 van Richtlijn 2004/81/EG. Met de beleidswijziging zijn slechts voor Dublinclaimanten de hiervoor geschetste gunstigere bepalingen niet meer van toepassing. De rechtbank vindt verder dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het met de beleidswijziging ontstane onderscheid tussen Dublinclaimanten en andere vreemdelingen gerechtvaardigd is. In WBV 2019/10 heeft de staatssecretaris hierover een toelichting gegeven. Voor zover eiser meent dat op hem nog het oude beleid van toepassing is, omdat hij al op 5 mei 2019 te kennen heeft gegeven slachtoffer te zijn van mensenhandel, volgt de rechtbank hem hierin niet. Niet in geschil is dat zowel in de oude als in de gewijzigde B8/3.1 Vc 2000 staat dat de IND het Model M55 ambtshalve aanmerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie is doorgestuurd naar de IND. Dat betekent dat het moment van doorzending van het Model M55 bepalend is voor de vraag wanneer de aanvraag is ingediend (vgl. ECLI:NL:RVS:2018:4297). Omdat de politie in dit geval het Model M55 op 11 oktober 2019 heeft doorgestuurd naar de IND, is o.g.v. het beleid dus pas op die datum de aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Verder is van belang dat WBV 2019/10 op 1 augustus 2019 in werking is getreden en geen overgangsbepaling kent.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
