ECLI:NL:RBDHA:2020:11599
Rechtbank Den Haag · 16-11-2020 · zaaknummer NL20.14518
Inhoudsindicatie
Einduitspraak omdat verweerder geen uitvoering geeft aan de tussenuitspraak – Dublin Roemenië – beroep gegrond. De rechtbank verricht geen ambtshalve toets van het bestreden besluit maar stelt feitelijk vast dat het overdrachtsbesluit niet is voorzien van een op naam van eiser gesteld claimverzoek en op naam van eiser gestelde acceptatie van een claimverzoek. Deze feiten leiden vervolgens tot de juridische conclusie dat er geen sprake is van een rechtsgeldig claimakkoord op grond waarvan eiser kan worden overgedragen aan Roemenië. De Dublin-verordening schrijft in artikel 5 voor dat de lidstaat met de verzoeker een persoonlijk onderhoud voert om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. Verweerder zal dan ook om invulling te geven aan de strekking van deze bepaling moeten ingaan op de inhoud van dit onderhoud. Het steeds in het algemeen overwegen dat “er geen geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt in de Dublin-procedure” ontneemt het nuttig effect van deze bepaling en maakt deze uit de Dublinverordening voor verweerder voortvloeiende verplichting zinledig. Verweerder heeft overigens niet gemotiveerd waarom het niet verrichten van een geloofwaardigheidsbeoordeling enkel betrekking heeft op de kwaliteit van de asielprocedure, opvang en behandeling door de Roemeense autoriteiten en niet bijvoorbeeld op de aanwezigheid van familieleden in de lidstaten. Voor zover verweerder zou menen dat dit te maken heeft met het mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel volgt de rechtbank dit niet. Verweerder moet immers juist om te kunnen bepalen of hij in dit concrete geval mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel eiser hierover bevragen en de verklaringen beoordelen alvorens tot een conclusie te komen. Verweerder lijkt te overwegen dat hij hoe dan ook van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan omdat de Afdeling niet heeft uitgesproken dat dit niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank berust deze werkwijze op een onjuiste uitleg van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de wijze waarop moet worden beoordeeld of hiervan kan worden uitgegaan. Verweerder moet dus eerst de verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Roemenië beoordelen en dan pas – mede op grond van die verklaringen- beoordelen of hij kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft er voor gekozen geen navraag te doen bij de Roemeense autoriteiten of de verklaringen van eiser feitelijk juist zijn terwijl verweerder daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank overweegt dat dit betekent dat verweerder, ook in een mogelijk hoger beroep en ook bij een mogelijk nieuw te nemen besluit, dient uit te gaan van de verklaringen zoals eiser die in zijn gehoor heeft afgelegd en die bovendien in sterke mate worden ondersteund door de algemene informatie over Roemenië waar eiser een beroep op doet.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
