ECLI:NL:RBDHA:2020:10461
Rechtbank Den Haag · 15-10-2020 · zaaknummer NL20.14315
Inhoudsindicatie
Afwijzing asielaanvraag. 3 EVRM-schending bij terugkeer naar Marokko? Belangen van het kind. Inreisverbod. Gelet op het arrest F.G. tegen Zweden van het EHRM en het absolute karakter van artikel 3 van het EVRM beoordeelt de rechtbank – ondanks dat daar geen beroepsgronden tegen zijn gericht – uit eigen beweging of eiseres bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling als gevolg van het hebben van seksuele omgang buiten een huwelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder zich bij de beoordeling van de vraag of eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, rekenschap heeft geven van de reden van de bestraffing, te weten seksuele omgang buiten een huwelijk. Zo blijkt uit de besluitvorming niet of verweerder bij zijn beoordeling heeft onderzocht of deze bestraffing al dan niet disproportioneel is, mede gelet op het feit dat dergelijke omgang is Nederland niet strafbaar is gesteld. Dat eiseres zich, naar verweerder stelt, in Marokko kan verdedigen tegen een eventuele aanklacht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het besluit daarmee deugdelijk is gemotiveerd. Eiseres heeft er immers in dit kader ook op gewezen dat haar minderjarige dochter het levende bewijs is van de seksuele omgang buiten het huwelijk, zodat zij in zoverre ook schuldig is aan hetgeen in de Marokkaanse wet strafbaar is gesteld. Een eerlijke rechtsgang kan eiseres, daargelaten de juistheid daarvan, in zoverre dan ook niet beschermen tegen een mogelijke disproportionele bestraffing. Datzelfde geldt voor de overweging van verweerder dat eiseres haar minderjarige dochter tijdens een eventuele detentie bij zich kan houden en dat medische zorg, waaronder een jaarlijks bezoek aan de tandarts, in detentie kosteloos toegankelijk is. Ook deze detentieomstandigheden zullen eiseres niet beschermen tegen een mogelijke disproportionele bestraffing, zodat het besluit ook in zoverre een deugdelijke motivering ontbeert. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij dient verweerder ook kenbaar de belangen van het kind van eiseres, te weten haar mogelijke verblijf bij eiseres in detentie en haar recht op familieleven, te betrekken. Tot slot is de rechtbank met betrekking tot het inreisverbod van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het gezinsleven van eiseres, haar Syrische echtgenoot aan wie in Nederland een asielvergunning is verleend en hun minderjarige dochter ook in Marokko kan worden uitgeoefend. Indien verweerder bij het nieuw te nemen besluit het inreisverbod handhaaft zal verweerder nader moeten onderbouwen of, en zo ja waarom inmenging in het gezinsleven is gerechtvaardigd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
