ECLI:NL:RBDHA:2019:9502
Rechtbank Den Haag · 09-09-2019 · zaaknummer NL19.21211
Inhoudsindicatie
Piketzaak – derde asielaanvraag – bekering – 15c Afghanistan- Hazara. Verzoeker is in bewaring gesteld. Daags na de vluchtaankondiging dient verzoeker een herhaalde asielaanvraag in waarin hij onder andere verzoekt de voorlopige voorziening toe te wijzen in verband met de zitting die op 30 september 2019 is agendeerd bij de Afdeling en die voornamelijk zal gaan over de veiligheidssituatie in Afghanistan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en beoordeelt de situatie in het herkomstgebied van verzoeker aan de hand van de beschikbare openbare rapporten over Afghanistan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 maart 2019 over Afghanistan, wat betreft de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen en de provincie Baghlan (waaronder de hoofdstad Pol-e Chomri) in het bijzonder op het standpunt kunnen stellen dat daar, ondanks dat sprake is van een stijging van het aantal burgerslachtoffers en zorgwekkende, precaire veiligheidssituatie en rekening houdend met de specifieke posities van de verschillende groepen in Afghanistan, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bij uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915 en 979), 20 juni 2018 (inzake de provincie Baghlan, ECLI:NL:RVS:2018:2075) en 1 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3176) is – met inachtneming van het rapport van het European Asylum Support Office (EASO) van december 2017 en 30 mei 2018 over de veiligheidssituatie in Afghanistan en de Country Guidance van EASO van juni 2018 – geoordeeld dat hoewel de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgwekkend is en de situatie in sommige provincies zorgelijker is dan in andere, in geen van de provincies thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Ook is niet door verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan vanwege zijn Hazara afkomst een kwetsbare minderheid zal vormen of dat hij vanwege de factoren Hazara afkomst, een lang verblijf in Iran en zijn verblijf in het westen, apart of in samenhang beschouwd, behoort tot een risicogroep of een groep die systematisch een reëel en voorzienbaar risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Daarbij is van belang dat verzoeker nooit heeft verklaard dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn Hazara etniciteit en dat uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 (pagina 70) niet is op te maken dat het behoren tot de bevolkingsgroep van Hazara op zichzelf aanleiding vormt te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Voorts kan de gestelde lange afwezigheid van verzoeker uit Afghanistan evenmin leiden tot een risico op schending van artikel 3 EVRM. Zoals verweerder terecht opmerkt in het verweerschrift zijn de mogelijke problemen die hij van het ontbreken van een sociaal netwerk kan ondervinden niet van dien aard dat daarmee is voldaan aan de maatstaf die artikel 3 EVRM in dit kader stelt (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2018:69). Hierbij wordt van belang geacht dat verzoeker in Kabul op de grote Hazara gemeenschap kan terugvallen die daar woonachtig is. Gebleken is dat de Afdeling in de door verzoeker aangehaalde zaak met zaaknummer 201904651/1 op 30 september 2019 een zitting zal houden, waarin de algemene veiligheidssituatie en de positie van etnische en religieuze minderheden in Afghanistan aan de orde is. De voorzieningenrechter ziet hierin evenwel geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen om deze zitting en de uitkomst daarvan af te wachten omdat hieruit niet volgt dat in Afghanistan de algemene veiligheidssituatie of de positie van Hazara zo uitzonderlijk slecht is dat verzoeker reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Verder heeft verweerder bij brief van 5 september 2019 de Tweede Kamer bericht dat gelet op de informatie uit het rapport van EASO van 13 juni 2019 naast Kabul ook de steden Mazar-e-Sharif en Herat als binnenlands beschermingsalternatief worden aangemerkt, maar dat verder geen aanleiding wordt gezien om het landgebonden beleid ten aanzien van Afghanistan aan te passen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in het rapport van EASO van 13 juni 2019 over de veiligheidssituatie in Afghanistan slechts voor de provincie Nangarhar, met uitzondering van de hoofdstad Jalalabad, door EASO een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn) wordt aangenomen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
