ECLI:NL:RBDHA:2019:5206
Rechtbank Den Haag · 17-05-2019 · zaaknummer 19_383
Inhoudsindicatie
Op grond van de artikelen 3.100, eerste lid, onder a, 3.101, eerste lid, onder a en 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt een AOW-uitkering geacht te zijn genoten op het moment waarop de uitkering is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld of vorderbaar en tevens inbaar is geworden. Eiser heeft een nabetaling van zijn AOW-uitkering ontvangen in 2015. Op grond van de aangehaalde wettelijke bepalingen behoort de nabetaling voor het gehele bedrag tot het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2015. Het gelijk is dan aan verweerder en het beroep is ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Belastingdienst
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Belastingdienst
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
