Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2019:4927

Rechtbank Den Haag · 07-05-2019 · zaaknummer AWB 16/26611

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 15-05-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Fictief beroep. Einduitspraak na stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening. Tussen partijen is in geschil of de beslistermijn voor verweerder ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep was versterken. Daarbij is het de vraag vanaf welke moment Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van artikel 42, zesde lid, Vw. Aangezien eiser inmiddels in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, spitst het geschil zich voorts toe op de vraag of verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en daardoor dwangsommen heeft verbeurd over de periode vanaf het moment dat verweerder in gebreke is gebleven om een besluit te nemen tot het moment dat verweerder uiteindelijk het besluit heeft genomen. Verweerder heeft uiteindelijk zijn primaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat aan eiser te kennen is gegeven dat hij werd opgenomen in de Nederlandse asielprocedure en het subsidiaire standpunt dat de beslistermijn aanvangt op de datum dat het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de rechtbank heeft beantwoord, niet langer gehandhaafd. Tussen partijen is daarom niet langer in geschil dat de beslistermijn in casu aanvangt twee weken na het verzoek om heroverweging op grond van artikel 5, tweede lid, Uitvoeringsverordening, te weten op 28 april 2016. Gelet op de inwerkingtreding van WBV 2016/3, op 11 februari 2016, is de beslistermijn in alle asielzaken van vóór en ná die datum met negen maanden verlengd. Dat geldt ook voor deze zaak. De enkele omstandigheid dat verweerder op 14 december 2016 aan eiser per brief kenbaar heeft gemaakt dat zijn asielverzoek in Nederland in behandeling wordt genomen en uiterlijk op 14 juni 2017 een beslissing wordt genomen, hetgeen een beslistermijn van zes maanden impliceert, leidt niet tot een ander oordeel. Door voornoemde WBV is de algemene, eerste beslistermijn van zes maanden zoals weergegeven in de brief immers verlengd met 9 maanden. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk op 28 juli 2017 een besluit moest nemen op de asielaanvraag van eiser. Nu verweerder op 29 mei 2017 een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling, is de beslistermijn niet overschreden en heeft hij tijdig op de aanvraag beslist. Het beroep is daarom prematuur ingediend, zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verweerder heeft daarom evenmin dwangsommen verbeurd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd en het standpunt van verweerder dat eiser ten onrechte na de ingebrekestelling niet twee weken heeft gewacht met het indienen van het beroep, behoeft daarom geen bespreking meer.

Rechters

Advocaten

  • C.C. Westermann-Smit

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.