ECLI:NL:RBDHA:2019:4277
Rechtbank Den Haag · 29-04-2019 · zaaknummer C/09/571733 / KG RK 19-583
Inhoudsindicatie
Verzoeker stelt dat uit de vraagstelling van de meervoudige kamer ter zitting haar vooringenomenheid blijkt en dat de punten die hij van belang achtte niet aan de orde zijn gekomen. De wrakingskamer is van oordeel dat het aan de rechtbank is om de vragen te stellen die zij van belang acht voor de beoordeling van het voorgelegde geschil. De wrakingskamer ziet in de ter zitting gestelde vragen geen aanwijzingen voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat de rechtbank al een beslissing had genomen zonder naar hem te luisteren, is dat verzoek feitelijk onvoldoende onderbouwd en feitelijk onjuist. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt namelijk dat beide partijen zijn gehoord en dat verzoeker dus de gelegenheid heeft gehad om te zeggen wat hij wilde. Verzoeker heeft nog aangevoerd dat de rechtbank geen toezegging heeft willen doen omtrent nader feitenonderzoek. De meervoudige kamer heeft blijkens het proces verbaal van de zitting meegedeeld dat zij zich over het verzoek tot nader feitenonderzoek zal beraden. Uit het feit dat de rechtbank vermelde toezegging niet heeft willen doen, blijkt geen (objectiveerbare schijn van) vooringenomenheid. Hetzelfde geldt voor de mededeling dat de rechtbank zich over nader feitenonderzoek zal beraden.
Rechters
Advocaten
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
