ECLI:NL:RBDHA:2019:13721
Rechtbank Den Haag · 19-12-2019 · zaaknummer NL19.4708
Inhoudsindicatie
Tegenwerping artikel 1F Vluchtelingenverdrag aan een minderjarige – betrokkenheid bij mensensmokkel in Libië – beroep gegrond Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden voor de mensensmokkelaar grotendeels aannemelijk en geloofwaardig geacht. Volgens verweerder moet eiser in verband worden gebracht met het faciliteren van mensensmokkel en illegale migratie naar Europa, met foltering en het faciliteren van gijzeling en moet eiser individueel voor die gedragingen verantwoordelijk worden gehouden en als mededader worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het faciliteren van mensensmokkel omdat de handelingen die eiser heeft verricht in een te ver verwijderd verband staan van de mensensmokkel die na eisers handelingen heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt eveneens dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser in verband kan worden gebracht met foltering. Daargelaten de vraag of eiser bij het slaan daadwerkelijk hevige pijn of leed heeft toegebracht, dient sprake te zijn van pijn of leed dat toegebracht wordt op aanstichten van dan wel met instemming van een overheidspersoon of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Uit de verklaringen van eiser kan de rechtbank niet opmaken dat hiervan sprake is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn handelen gijzeling heeft gefaciliteerd en daarmee sprake is van ‘personal participation’ op de momenten dat eiser het slot op de deur heeft gedaan en daarmee op die momenten heeft gezorgd dat mensen niet de keuze hadden om de magazijnen te verlaten. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder terecht heeft aangenomen dat er voor wat betreft het faciliteren van gijzeling tevens sprake is van ‘knowing participation’ De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt op welke wijze verweerder zowel de minderjarigheid van eiser als hetgeen hij op jonge leeftijd heeft meegemaakt bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser heeft verklaard dat de redenen van zijn verblijf in derde landen zijn gelegen in de inval van IS, het geweldsniveau in Libië en de aard van zijn verhouding met zijn vader en zijn keuzes als 14-jarige dus geen verband houden met ongedwongen reizen voor ontspanning, school of werk. Overigens maakt de wet en het daarop gestoelde beleid enkel onderscheid tussen meerder- en minderjarige vreemdelingen. Er is geen categorie “zelfstandige jongvolwassen minderjarigen” waarvoor een minder strikte motiveringsplicht zou gelden. Eiser was minderjarig ten tijde van de handelingen die in deze zaak door verweerder zijn beoordeeld en minderjarig ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland, dus de procedurele regels en waarborgen die zien op minderjarigen zijn integraal en onverkort van toepassing. Verweerder moet deze minderjarigheid –kenbaar- betrekken bij zijn besluit en de zogenaamde 1F-tegenwerping en heeft dit onvoldoende gedaan. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de door eiser overgelegde brief van 27 december 2018 van Nidos, waarin naast op de minderjarigheid van eiser tevens op de opeenstapeling van traumatische ervaringen van eiser is gewezen. Ofschoon de rechtbank van oordeel is dat bij eiser wel sprake is van ‘personal participation’ als het gaat om het faciliteren van gijzeling, kan eiser op grond van verweerders beleid worden gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien hij aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor eiser de mogelijkheid bestond zich eenvoudigweg te onttrekken aan zijn werkzaamheden voor de mensensmokkelaar door ’s nachts weg te lopen. Ook hierin heeft verweerder niet betrokken dat eiser zich als minderjarige, die is opgegroeid met voortdurend geweld in de thuissituatie en in zijn land, wederom in een situatie van geweld bevond. Eiser bevond zich als minderjarige tussen meerderjarigen met geweren, die in zijn aanwezigheid geweld uitoefenden op derden die waren gegijzeld. Het standpunt van verweerder dat eiser eenvoudigweg weg had kunnen lopen is daarom zonder de situatie waarin eiser zich bevond hierbij te betrekken onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast heeft eiser in beroep, onder verwijzing naar de voornoemde brief van Nidos, betoogd dat zijn minderjarigheid en verstoorde pedagogische ontwikkeling hem extra kwetsbaar maakten voor dwang. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek door een ontwikkelingspsycholoog en/of orthopedagoog naar de specifieke situatie van eiser zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er bij eiser voor wat betreft het faciliteren van de gijzeling sprake is van ‘knowing participation’ en dat eiser – indien niettemin zou moeten worden aangenomen dat er wel sprake is van ‘knowing and personal participation’ - niet kan worden gevrijwaard van verantwoordelijkheid vanwege dwang.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
