ECLI:NL:RBDHA:2019:13122
Rechtbank Den Haag · 10-12-2019 · zaaknummer NL19.24439
Inhoudsindicatie
Dublinprocedure – recht op een contra-expertise en beginsel “equality of arms” ook van toepassing in Dublinprocedures – Werkinstructie 2019/7 –toewijzing verzoek voorlopige voorziening om verzoeker alsnog in staat te stellen een contra-expertise te laten uitvoeren. Aan de vraag welke waarde toekomt aan de Eurodac-registraties gaat de vraag vooraf of verzoeker in de gelegenheid had moeten worden gesteld een contra-expertise te verrichten om te (kunnen) onderbouwen dat de registraties onjuist zijn. Zoals het EHRM heeft overwogen in het arrest van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) is de kern van het beginsel van equality of arms erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen. De stelling van verweerder ter zitting dat dit niet van toepassing is op Dublin-procedures en dat er geen recht op een contra-expertise zou bestaan zoals hiervoor beschreven als er een Eurodac-treffer is faalt. In de Dublin-verordening, die weliswaar als uitgangspunt heeft om snel en efficiënt tot de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat te komen, is niet bepaald dat procedurele waarborgen en rechten die in het algemeen te gelden hebben bij juridische procedures niet langer aan de orde zijn als er een Dublin-procedure wordt geëntameerd en er gegevens van de betreffende vreemdeling in Eurodac (zouden) zijn opgenomen. Bovendien heeft te gelden dat in het onderhavige geval nu juist gemotiveerd wordt betwist dat gegevens van verzoeker uit Zwitserland en Italië kunnen zijn opgenomen en wordt aangevoerd dat deze stelling middels een contra-expertise mogelijk kan worden onderbouwd. Ook in Dublin-procedures is het beginsel van equality of arms derhalve van toepassing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker de conclusie uit het Eurodac-onderzoek niet anders dan door middel van een contra-expertise kan bestrijden. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en vaste jurisprudentie mag verweerder immers steeds uitgaan van de registratie in Eurodac en de vooronderstelling dat de wijze waarop deze registratie tot stand is gekomen zorgvuldig is geweest. De kans dat een verzoeker met enkel verklaringen of documenten tegenbewijs kan leveren acht de rechtbank minimaal. In het onderhavige geval heeft verweerder er voor gekozen de documenten die verzoeker heeft overgelegd om de Eurodac-gegevens trachten te weerleggen niet te onderzoeken en de verklaringen van verzoeker terzijde te schuiven juist met het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel Verzoeker wordt dan ook een essentieel bewijsmiddel ontnomen indien hij niet in de gelegenheid wordt gesteld een contra-expertise te verrichten.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
