ECLI:NL:RBDHA:2019:11446
Rechtbank Den Haag · 25-10-2019 · zaaknummer NL19.20629
Inhoudsindicatie
Op 9 juli 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van eiser van 23 oktober 2018 gegrond verklaard. Verweerder is opgedragen om eiser binnen acht weken te horen in de algemene asielprocedure. Op 30 augustus 2019 heeft verweerder meegedeeld dat de asielaanvraag van eiser verder wordt behandeld in de verlengde asielprocedure. Op 2 september 2019 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Eiser is er terecht van uitgegaan dat geen schriftelijke ingebrekestelling is vereist. In de uitspraak van 9 juli 2019 van deze rechtbank en zittingsplaats is verweerder een concrete termijn gegeven waarbinnen hij moet starten met de algemene asielprocedure. Verweerder heeft hier aan voldaan. Echter, een besluit op de asielaanvraag van eiser, waar de ingebrekestelling van 6 mei 2019 zich tegen richt, is nog niet bekend gemaakt. Het is voor verweerder dan ook duidelijk dat hij vanaf het moment van indienen van deze ingebrekestelling door eiser in gebreke is een besluit te nemen. Het te behandelen beroep is dan ook een hernieuwd beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dan dat redelijkerwijs niet van eiser kan worden gevergd om verweerder in gebreke te stellen. De rechtbank geeft in dit geval toepassing aan artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Het beroep is kennelijk gegrond. Verweerder deelt mee dat hij geen toezegging kan doen over een termijn waarbinnen de aanvraag van eiser wordt beoordeeld, omdat hij in afwachting is van het onderzoeksresultaat van de Griekse autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat uit het aanmeldgehoor van 26 oktober 2018 blijkt dat verweerder op dat moment al bekend was met het verzoek om internationale bescherming dat eiser in Griekenland heeft ingediend. Pas op 30 augustus 2019 heeft verweerder besloten om een onderzoek op te starten om na te gaan of eiser een verblijfsvergunning in Griekenland heeft ontvangen. Verweerder heeft dit onderzoek daarna pas op 16 september 2019 daadwerkelijk opgestart. Gelet op dit tijdsverloop volgt de rechtbank verweerder niet in het standpunt dat om deze reden sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
