ECLI:NL:RBDHA:2018:9724
Rechtbank Den Haag · 09-08-2018 · zaaknummer NL18.13602
Inhoudsindicatie
Het asielbesluit van 13-9-2017 geldt tevens als terugkeerbesluit, dit terugkeerbesluit is nog steeds van kracht. Het besluit van 7-5-2018 tot afwijzing van de nieuwe asielaanvraag geldt eveneens als terugkeerbesluit, doch dit terugkeerbesluit is niet aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat het geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. Het instellen van hoger beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State levert geen rechtmatig verblijf op in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) van 19 juni 2018 (C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465) in de zaak Gnandi tegen België (Gnandi), zie rechtsoverwegingen 56 – 58, vloeit voort dat de rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit van rechtswege worden geschorst gedurende de periode dat beroep kan worden ingesteld, dan wel – als beroep is ingesteld – gedurende de behandeling van het beroep. Gedurende die periode mag de vreemdeling op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn niet in bewaring worden gesteld met het oog op zijn verwijdering (zie overweging 62 van het arrest Gnandi). Gelet op de hierboven vermelde uitdrukkelijke overweging van het HvJ EU dat het gaat om van rechtswege schorsende werking van het terugkeerbesluit bij ten minste één rechterlijke instantie, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser dat deze van rechtswege schorsende werking ook geldt indien – zoals in casu – er al sprake is geweest van een rechterlijk oordeel, maar daartegen nog hoger beroep open staat, dan wel – als hoger beroep is ingesteld – gedurende de behandeling daarvan. Dit betekent dat eiser ten tijde van de inbewaringstelling geen rechtmatig verblijf had, noch dat sprake was van een recht om te blijven gedurende de termijn voor het instellen van hoger beroep dan wel in afwachting van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep Eisers beroep op een passage in de verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 19 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1307) leidt niet tot een ander oordeel; het HvJ EU heeft in zijn beschikking van 5 juli 2018 (C-269/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:544) in de zaak C., J. en S. tegen Nederland reeds antwoord gegeven op de gestelde prejudiciële vragen en daarbij verwezen naar de rechtsoverwegingen in het arrest Gnandi.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
