ECLI:NL:RBDHA:2018:9159
Rechtbank Den Haag · 17-07-2018 · zaaknummer NL17.14103
Inhoudsindicatie
asielaanvraag niet-ontvankelijk, statushouder, Italië, prejudiciële vragen art 3 EVRM, Uit de door eiser geciteerde stukken van de rapporten van VWN, US DOS, SFH en ASGI blijkt weliswaar dat Italië niet altijd zorgvuldig omgaat met de bescherming van statushouders, maar hieruit blijkt niet dat Italië niet handelt in overeenstemming de verdragen zoals genoemd in artikel 3.106a, lid 1, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van eiser, die daar een asielvergunning heeft, nakomt. Eiser kan aan zijn status de rechten ontlenen die hem op grond van Richtlijn 2011/95/EG van de Raad van 13 december 2011 (de Kwalificatierichtlijn) zijn toegekend. Van hem mag worden verwacht dat hij de rechten die voortvloeien uit zijn verblijfstatus in Italië zelf effectueert en dat hij zich bij voorkomende problemen tot de hogere Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties wendt. De situatie in Italië is voor statushouders niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn situatie wezenlijk anders is dan de situatie van de betrokkenen in de zaak die bij de ABRvS voor lag. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat eiser zich als statushouder tot dezelfde autoriteiten kan wenden als Italianen. Uit wat eiser aanvoert blijkt niet dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om zijn rechten te effectueren. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM of dat hij niet geholpen zal (kunnen) worden bij het vinden van huisvesting en medische zorg. Gelet op het bovenstaande en op het feit dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn uit hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn voortvloeiende rechten in Italië te effectueren en niet gebleken is dat eiser daartoe voldoende inspanningen heeft verricht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van Duitsland af te wachten.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
