ECLI:NL:RBDHA:2018:8402
Rechtbank Den Haag · 10-07-2018 · zaaknummer AWB 18/516 en AWB 18/517
Inhoudsindicatie
Eiser stelt dat hij op grond van artikel 20 VWEU Unie rechtmatig verblijf heeft als partner van een burger van de Unie. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2018, K.A., volgt dat eiser op zichzelf terecht aanvoert dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 VWEU kan ontlenen indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarig kind dat Unieburger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid dat burger van de Unie is. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit dan ook ten onrechte op het standpunt dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 VWEU kan ontlenen omdat hij geen vader is van een minderjarig kind dat Unieburger is. De rechtbank passeert het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb omdat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in het arrest K.A., waarin sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en zijn partner op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
