ECLI:NL:RBDHA:2018:8399
Rechtbank Den Haag · 11-06-2018 · zaaknummer NL18.4951
Inhoudsindicatie
Eiser is op 7 maart 2018 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Deze maatregel is op 13 maart 2018 opgeheven en aansluitend in strafdetentie gesteld. Eiser is niet uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank gehoord. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken van 4 november 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AF2856) en 5 juni 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN0237) overwogen dat artikel 94, tweede lid (thans vierde lid), van de Vw geen uitzondering kent voor het geval de aangevochten vrijheidsontnemende maatregel op de zittingsdag inmiddels is opgeheven. Voor zover een redelijke wetstoepassing met zich zou brengen dat de oproeping in dat geval achterwege gelaten kan worden, geldt dat in ieder geval niet indien de vreemdeling anderszins van zijn vrijheid is beroofd en derhalve niet zelf kan beslissen of hij aan een uitnodiging om ter zitting te verschijnen gevolg geeft. Eiser is aansluitend aan de bewaringsmaatregel in strafdetentie gesteld. Hij kon dan ook niet vrijelijk beslissen om al dan niet in persoon ter zitting te verschijnen. Eiser is weliswaar opgeroepen, maar niet aangevoerd. De rechtbank ziet in het vorenstaande echter geen aanleiding om de bewaringsmaatregel onrechtmatig te achten en schadevergoeding aan eiser toe te kennen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT4828) en 6 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1167). Uit deze uitspraken volgt dat het niet horen ter zitting pas met ingang van de dag volgend op de dag dat de termijn bedoeld in artikel 94, vierde lid, Vw is verstreken (of, als binnen die termijn uitspraak is gedaan, met ingang van de dag volgend op de uitspraak) leidt tot onrechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. Daaruit leidt de rechtbank af dat bij opheffing van de maatregel vóór de zitting, deze niet vanwege het niet-horen onrechtmatig is. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien de zaak te heropenen en eiser alsnog te horen. Nog los van het feit dat de in artikel 94, vierde lid, Vw bedoelde termijn is verstreken, acht de rechtbank in dit verband (eveneens) van belang dat de bewaringsmaatregel ten tijde van de zitting reeds was opgeheven. De gemachtigde van eiser heeft bovendien namens hem ter zitting het woord gevoerd. Deze heeft zich ten aanzien van de zware en lichte gronden die ten grondslag liggen aan de bewaringsmaatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
