ECLI:NL:RBDHA:2018:770
Rechtbank Den Haag · 25-01-2018 · zaaknummer NL17.15631
Inhoudsindicatie
Opvolgende asielaanvraag, Oekraïne, huiselijk geweld, veilig land van herkomst, Vluchtelingenwerk Nederland, UK Home Office, Raad van Europa, Verdrag van Istanbul, geweld tegen vrouwen, bescherming, kennelijk ongegrond, terugkeerbesluit, inreisverbod, beginsel van non-refoulement, effectieve rechtelijke bescherming, Procedurerichtlijn, conclusie, Advocaat-Generaal Mengozzi, Gnandi, België, overweging 9, considerans, Terugkeerrichtlijn, opgeschort, geen vertrektermijn. Verweerder heeft uit informatie terecht heeft afgeleid dat er in Oekraïne wet- en regelgeving is die huiselijk geweld tegen vrouwen verbiedt en het voor de autoriteiten van dat land mogelijk maakt om hiertegen bescherming te bieden en dat deze bescherming ook feitelijk wordt geboden. Uit informatie blijkt weliswaar dat huiselijk geweld tegen vrouwen een serieus probleem blijft, dat dit vooral als een privéaangelegenheid tussen partners wordt gezien, dat het lastig is voor vrouwen om hulp te zoeken en hun aanklachten niet altijd serieus worden genomen, maar uit informatie kan niet worden afgeleid dat de geboden bescherming door de autoriteiten zodanig gebrekkig is dat Oekraïne voor vrouwen als slachtoffer van huiselijk geweld geen veilig land van herkomst is. De rechtbank volgt het betoog van eiseres – onder verwijzing de conclusie van de Advocaat-Generaal Mengozzi in de zaak Gnandi tegen België van 15 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:467) – niet dat nu zij naast het beroep tegen het bestreden besluit een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, zij de beslissing op dit verzoek op grond van artikel 7.3, eerste lid, Vb 2000, en overeenkomstig artikel 46, achtste lid, Procedurerichtlijn, in Nederland mocht afwachten en zij derhalve rechtmatig verblijf had in de zin van de Terugkeerrichtlijn, zodat aan haar ten tijde van het bestreden besluit nog geen terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres terecht als kennelijk ongegrond afgewezen en dit betreft een meeromvattende beschikking, waarbij is bepaald dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Tevens is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op grond van artikel 82, tweede lid, aanhef en onder c, Vw 2000 wordt de werking van het bestreden besluit niet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Dit betekent dat op het moment dat het bestreden besluit werd genomen dit besluit met alle daaraan verbonden rechtsgevolgen onmiddellijk in werking trad. Op dat moment had eiseres derhalve geen rechtmatig verblijf meer in de zin van artikel 8 Vw 2000 en was ook nog geen verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Er was derhalve sprake van onrechtmatig verblijf van eiseres, zodat aan haar een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar overweging 9 van de considerans bij de Terugkeerrichtlijn. Dat eiseres op dezelfde dag dat het bestreden besluit werd genomen beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt dit niet anders. Het enkel indienen van dit verzoek levert immers geen rechtmatig verblijf op in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, Vw 2000 en schort de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet op. Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, Vb 2000, en overeenkomstig artikel 46, achtste lid, Procedurerichtlijn, wordt het eiseres slechts toegestaan de uitspraak op dit verzoek in Nederland af te wachten. Dit betekent dat de uitvoering van het reeds genomen terugkeerbesluit tijdelijk wordt opgeschort, welke mogelijkheid ook voortvloeit uit artikel 13, tweede lid, Terugkeerrichtlijn. Tot slot volgt uit artikel 6, zesde lid, Terugkeerrichtlijn dat het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit kan worden genomen. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit tevens terecht een terugkeerbesluit opgelegd.
Rechters
Advocaten
- S. Gnandi
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
