Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2018:7208

Rechtbank Den Haag · 14-06-2018 · zaaknummer NL18.7870

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 18-06-2018
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Beoordeling van de gestelde afvalligheid als zelfstandig asielmotief naast bekering Eiser, afkomstig uit Iran, heeft in zijn herhaalde (vijfde) asielaanvraag enerzijds aangevoerd dat hij inmiddels een zodanige geloofsgroei heeft doorgemaakt dat hij nu wel als bekeerling moet worden aangemerkt en anderzijds dat hij, ook los daarvan, als afvallige moet worden gezien en doet een beroep op WBV 2017/7. De geloofsgroei is niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ook de afvalligheid heeft verweerder beoordeeld op geloofwaardigheid gezien het nieuwe beleid. Ten aanzien daarvan: Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:280) kan, indien een vreemdeling die stelt bekeerd te zijn tot een ander geloof tevens aanvoert dat hij als afvallige dient te worden beschouwd, de afvalligheid alleen dan als afzonderlijk asielmotief worden aangemerkt, indien het twee duidelijk te onderscheiden fasen betreft, een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering, terwijl de motieven voor het een en ander ook uiteenlopen. Er is in het geval van eiser sprake van een situatie, waarin het moment van zijn gestelde afvalligheid duidelijk te onderscheiden is van zijn bekering, zodat dient te worden beoordeeld of de gestelde afvalligheid gezien de motieven daarvoor als losstaand asielmotief dient te worden aangemerkt en of eiser op grond daarvan in aanmerking komt voor een asielvergunning in het licht van WBV 2017/7. Eisers stelling, zoals toegelicht ter zitting, dat het besluit niet deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd, nu ten aanzien van de toetsing van de afvalligheid geen specifieke gedragslijn of interne instructie bestaat, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft aangegeven dat hij bij de integrale beoordeling van de geloofwaardigheid van de afvalligheid dezelfde gedragslijn volgt als bij beoordeling van een gestelde bekering, die door de Afdeling is geaccordeerd (ECLI:NL:RVS:2016:2068). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder deze gedragslijn daartoe niet zou mogen aanwenden. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling - en de uitspraken van 15 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2801), 24 mei 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:3263) en 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:888) - ziet de gedragslijn op beoordeling van een geloofsovertuiging en kan, zoals verweerder ook heeft aangegeven, het zich afwenden van een bepaald geloof daar ook onder worden geschaard. Verweerder mag daarom van eiser verwachten dat hij overtuigend kan verklaren over zijn motieven voor en het proces van geloofsafval, te meer wanneer hij afkomstig is uit een land waar de eerdere geloofsovertuiging de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst is en het afwenden van dat geloof onacceptabel of strafbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde afvalligheid van de islam niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat, voor zover eisers motieven voor de afvalligheid al als te onderscheiden van zijn motieven voor zijn bekering zijn aan te merken, eiser in die motieven onvoldoende inzicht heeft verschaft evenals het proces van zijn afvalligheid. Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zowel de gestelde bekering als de gestelde afvalligheid niet zijn gebaseerd op een diep gewortelde overtuiging, heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eiser zich bij terugkeer terughoudend opstelt. Het beroep van eiser op het algemeen ambtsbericht inzake Iran over her risico voor afvalligen treft daarom geen doel. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als praktiserend moslim met een seculiere levensstijl heeft te vrezen. Eiser heeft niet geconcretiseerd of onderbouwd dat daar niet vanuit mag worden gegaan.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.