ECLI:NL:RBDHA:2018:15859
Rechtbank Den Haag · 10-12-2018 · zaaknummer AWB 18/3556 en 18/3557
Inhoudsindicatie
8 EVRM, beroep op gezins- en privéleven, Somalië, hoogte leges De rechtbank stelt voorop dat eisers stelling dat het intrekkingsbesluit van 18 november 2013 ten onrechte is genomen, niet zal worden behandeld. Dat besluit is immers met de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2015 in rechte komen vast te staan. De rechtbank is echter van oordeel dat de gegevens die eiser heeft aangedragen om zijn verblijf in 2012 te onderbouwen, wel van belang kunnen zijn voor de vraag of sprake is langdurig verblijf in Nederland in het kader van de artikel 8 EVRM-beoordeling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder in het verweerschrift het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van langdurig verblijf in 2012. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat deze gegevens en omstandigheden niet kunnen worden meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op jonge leeftijd (9 jaar) Nederland is ingereisd en dat hij tot 2013 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, derhalve 13 jaar. Eiser heeft zijn vormende jaren in Nederland doorgebracht. Eiser is hier opgegroeid, heeft hier opleidingen genoten, een sociaal leven opgebouwd en gewerkt. Eisers familieleden, waaronder zijn moeder, tante, opa, zus en broer, verblijven in Nederland en zijn genaturaliseerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben. Eiser is thans 31 jaar oud en heeft met de overgelegde stukken in beroep aannemelijk gemaakt dat hij langdurig in Nederland heeft verbleven. Eiser is sinds zijn komst naar Nederland nooit terug geweest naar Somalië en stelt hier verwesterd te zijn. Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de criminele antecedenten van eiser niet opwegen tegen het door eiser opgebouwde privéleven in Nederland en de problemen die eiser in Somalië stelt te verwachten. Verweerder heeft voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende in het bestreden besluit betrokken. Gelet daarop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in eisers nadeel dient uit te vallen. De beroepsgrond van eiser slaagt. Ten aanzien van de hoogte van de leges, is de rechtbank van oordeel dat, hoewel in het aanvraagformulier ‘familie- of gezinsleven’ niet is aangevinkt, uit de begeleidende brief van 20 maart 2017 afdoende blijkt dat eiser heeft beoogd een aanvraag in te dienen met het oog op gezinsleven en privéleven. Verweerders stelling dat in de brief sprake is van een vergissing, doet hieraan niet af. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers eerdere aanvraag van 12 januari 2017, die door verweerder buiten behandeling is gesteld, ook betrekking had op gezinsleven én privéleven. Bij die aanvraag heeft verweerder ook het lagere legestarief van € 237,- gehanteerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag ook betrekking had op familie- of gezinsleven. De beroepsgrond slaagt.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
