ECLI:NL:RBDHA:2018:1505
Rechtbank Den Haag · 13-02-2018 · zaaknummer NL18.2360
Inhoudsindicatie
maatregel van bewaring, terugkeerbesluit, artikel 1(F), Vluchtelingenverdrag, KhAD/WAD, resterende gronden, zwaar inreisverbod, Afghanistan, vertrekplicht, risico op onttrekking aan het toezicht, belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure, belangenafweging, vreemdelingenbewaring, persoonlijke omstandigheden, geen lichter middel, Mahdi tegen Bulgarije, formulier M119, ter fine van een gedwongen uitzetting, daadwerkelijke effectuering van vertrek, bewaring niet onevenredig bezwarend, mantelzorg, gezinsleven, geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen afzienbare tijd, voldoende voortvarendheid, DT&V, vertrekgesprekken, regievoerder Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank komt derhalve niet tot het oordeel dat verweerder onvoldoende grond resteert om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen. De door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden zijn juist en kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen. Naar het oordeel van de rechtbank kan door verweerder op basis van deze (resterende) gronden, die door voldoende zorgvuldig onderzoek en deugdelijke motivering worden gedragen, worden aangenomen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, of de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Uit de maatregel van bewaring en het formulier M119 volgt dat verweerder – in overeenstemming met de vereisten die voortvloeien uit het Mahdi-arrest – hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ten aanzien van zijn persoonlijke belangen, kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. Bij de afweging door verweerder of op eiser een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen, heeft verweerder, naast de (resterende) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht in dit geval betrokken dat tot op heden in diverse vreemdelingrechtelijke procedures onherroepelijk is geoordeeld dat op basis van zorgvuldige gemaakte afwegingen door de Nederlandse overheid aan eiser artikel 1(F) Vlv kan worden tegengeworpen omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en de openbare veiligheid, dat vanwege het door hem bij herhaling aangegeven niet te willen vertrekken er geen andere mogelijkheid is om zijn vertrek te bewerkstelligen dan middels een inbewaringstelling ter fine van een gedwongen uitzetting, alsook dat door eiser niet overtuigend is gesteld dat een minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde omstandigheden de oplegging van de maatregel van bewaring niet onevenredig bezwarend maken. Zo beletten de door eiser aangevoerde medische omstandigheden de inbewaringstelling niet, omdat er in het detentiecentrum voor hem voldoende medische zorg aanwezig is. Verder is gesteld noch gebleken dat in Afghanistan een medische noodsituatie zal ontstaan omdat aldaar voor eiser onvoldoende medische zorg aanwezig zou zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de gezondheidssituatie van de echtgenote van eiser sterk is verslechterd na de inbewaringstelling van eiser en dat deze humanitaire omstandigheid niet eerder door verweerder is gezien. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het niet de gezondheidssituatie van eiser betreft en voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging terecht heeft betrokken dat niet is gebleken dat zijn familie afhankelijk is van eiser. Immers, de echtgenote en zelfstandige kinderen van eiser zijn genaturaliseerd tot Nederlander en ondersteund door zorginstellingen kunnen de kinderen de echtgenote van eiser, hun moeder, mantelzorg verlenen. Uit deze afweging maakt de rechtbank op dat verweerder het gezinsleven van eiser wel degelijk met respect heeft betrokken, maar dat aan de eenheid van het gezin geen doorslaggevende waarde is toegekend. Naast dat verweerder in het bestreden besluit een belangenafweging heeft gemaakt, is ook door verweerder uitgebreid aan artikel 8 EVRM getoetst bij het opleggen van het zware inreisverbod aan eiser. Daarnaast is gebleken dat door verweerder bij de belangenafweging is betrokken dat eiser bij uitzetting naar Afghanistan geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat vooralsnog door de Afdeling geen uitspraak is gedaan waaruit volgt dat gedwongen uitzetting naar (delen van) Afghanistan niet mogelijk zou zijn vanwege een uitzonderlijke situatie aldaar, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000. Bovendien is in het geval van eiser geen sprake van een toegewezen voorlopige voorziening op grond waarvan het aan hem reeds op 16 maart 2004 uitgevaardigde terugkeerbesluit is geschorst.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
