ECLI:NL:RBDHA:2018:14545
Rechtbank Den Haag · 10-12-2018 · zaaknummer C-09-562530-KG ZA 18-1139
Inhoudsindicatie
Eiser vraagt in een kort geding om wijziging van de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij wil (grotendeels) af van het aan hem opgelegde locatieverbod en van een contactverbod. De voorzieningenrechter wijst er op dat, gezien de beleidsvrijheid die het OM heeft, er maar beperkt ruimte is voor ingrijpen in kort geding, namelijk alleen als sprake is van een onmiskenbaar onredelijke beslissing. Daarvan is hier volgens de voorzieningenrechter geen sprake. Eiser heeft vooral gewezen op het vrijheidsbeperkend effect van de voorwaarden, maar miskent dat de voorwaardelijke invrijheidstelling een vorm is van tenuitvoerlegging van een opgelegde straf, waarbij het opleggen van dergelijke vergaande beperkingen is toegestaan. De Staat heeft de redenen voor het opleggen van de voorwaarden ook uitvoerig toegelicht. Het doel hiervan is met name het voorkomen van recidive en de bescherming van de slachtoffers. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn stelling dat wijziging van de voorwaarden om bepaalde redenen noodzakelijk is. Er zijn ook alternatieven denkbaar. De voorzieningenrechter wijst de vordering dus af.
Rechters
Advocaten
- I.C. Engels
- P. Celikkal
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
