ECLI:NL:RBDHA:2018:14450
Rechtbank Den Haag · 29-08-2018 · zaaknummer 6902861 EJ VERZ 18-84572
Inhoudsindicatie
De werkgever verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW, subsidiair onderdeel g BW. De werknemer heeft erkend diverse malen en voor aanzienlijke bedragen geld te hebben geleend van klanten van de werkgever ten behoeve van een privé-investering van de werknemer. Daarbij heeft de werknemer ten onrechte de suggestie gewekt dat de werkgever daarbij betrokken was. De werknemer heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van de werkgever en heeft door zijn handelen de goede naam en reputatie van de werkgever beschadigd. Naar de mening van de kantonrechter is er sprake van zodanig evident grensoverschrijdend gedrag dat van de werkgever niet gevergd kan worden het dienstverband te laten voortduren. De kantonrechter komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Het feit dat de werknemer slechts twee jaar verwijderd is van zijn pensioen, maakt dit oordeel niet anders. De tegenverzoeken van werknemer worden afgewezen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
