Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2018:12258

Rechtbank Den Haag · 14-09-2018 · zaaknummer 17/10778

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 12-10-2018
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat een vreemdeling, tegen wie een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw is uitgevaardigd, geen rechtmatig verblijf heeft zolang dat inreisverbod voortduurt en dus geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank ziet in het arrest van het HvJ van 26 juli 2017, Ouhrami (ECLI:EU:C:2017:590) aanleiding om deze lijn niet langer te volgen. Evenals zittingsplaats Haarlem in haar uitspraak van 14 juni 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:7092) heeft overwogen, volgt uit dit arrest dat het terugkeerbesluit leidend is voor de vraag de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit rechtmatig in Nederland kan verblijven en dat de beoordeling van het (zware) inreisverbod, dat het terugkeerbesluit aanvult, pas aan de orde is als het terugkeerbesluit in rechte standhoudt. De rechtbank zal daarom eerst de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit moeten beoordelen, dat een voorwaarde is voor het in aanvulling daarop kunnen uitvaardigen van een inreisverbod, alvorens zij toekomt aan de beoordeling van de rechtmatigheid van dat inreisverbod. Bovendien dient uit het arrest Ouhrami te worden afgeleid, dat het onrechtmatig verblijf van de vreemdeling tot het tijdstip van de vrijwillige of gedwongen uitvoering van de terugkeerverplichting en bijgevolg van de daadwerkelijke terugkeer naar zijn land van herkomst, een land van doorreis of een ander derde land, wordt beheerst door het terugkeerbesluit en niet door het inreisverbod, dat pas vanaf dat tijdstip rechtsgevolgen teweegbrengt door het de vreemdeling te verbieden om gedurende een bepaalde periode na zijn terugkeer het grondgebied van de lidstaten weer te betreden en er opnieuw te verblijven. Naar het oordeel van het HvJ volgt duidelijk uit de opzet van de Terugkeerrichtlijn, dat het terugkeerbesluit en het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod twee besluiten zijn die los van elkaar staan: het eerste verbindt consequenties aan de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke verblijf terwijl het tweede een eventueel later verblijf betreft en dit onrechtmatig maakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris aan het inreisverbod niet de rechtsgevolgen kan verbinden als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw. Deze bepaling zal derhalve buiten toepassing worden gelaten.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.