ECLI:NL:RBDHA:2018:11472
Rechtbank Den Haag · 24-09-2018 · zaaknummer C-09-558979-KG ZA 18-893
Inhoudsindicatie
Koopovereenkomst onroerende zaak. Eiser heeft de onroerende zaak verkocht aan gedaagde of een nader te noemen meester. Bij nadere overeenkomst zijn partijen daarna overeengekomen dat koper (of de nader te noemen meester) een waarborgsom van € 267.250,-- aan verkoper zal voldoen en dat, als het transport van de onroerende zaak na 1 juni 2018 plaatsvindt, koper ter vergoeding een bedrag van € 10.000,-- aan verkoper zal betalen. Vast staat dat van de waarborgsom € 207.250,-- niet op de overeengekomen uiterlijke datum (1 juni 2018) door koper is voldaan en dat het transport na 1 juni 2018 zal plaatsvinden. Deze bedragen zijn – samengevat - daardoor opeisbaar. Eerst na het opeisbaar worden van deze bedragen heeft gedaagde (op grond van art. 3:67 BW) een stichting aangewezen als volmachtgever voor wie zij (gedaagde) de woning heeft gekocht, teneinde te bewerkstelligen dat zij niet (langer) als partij bij de koopovereenkomst tot nakoming zal worden aangesproken. Daarbij heeft gedaagde te kennen gegeven dat de volmachtgever niet kan beschikken over de benodigde middelen, nu de deze volmachtgever (de stichting) nog geen bankrekening heeft. Door deze stichting als nader te noemen meester naar voren te schuiven op een moment dat er al opeisbare verplichtingen tot betaling zijn ontstaan heeft gedaagde eiser (verkoper) gekoppeld aan een wederpartij die geen verhaal biedt voor deze betalingsverplichtingen, waarbij voorts ongewis is of deze wederpartij ooit over de middelen zal beschikken om deze betalingsverplichtingen te kunnen nakomen. Deze handelwijze van gedaagde is, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid die zij (gedaagde) in relatie tot verkoper in acht dient te nemen, onaanvaardbaar. De consequentie daarvan is dat gedaagde in deze situatie, waarin zij gold als voorwaardelijke partij bij de koopovereenkomst, zelf gebonden is als koper en dat de beta¬lings-verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst op haar zijn blijven rusten. In het midden kan daarom blijven of, zoals verkoper stelt, koper heeft verzuimd de nader te noemen meester bij hem te introduceren binnen de in art. 3:67 lid 1 BW voorgeschreven redelijke termijn, en gedaagde reeds op die grond zelf (definitief) partij is bij de koopovereenkomst. Evenzeer behoeft niet te worden beoordeeld of een nader te noemen meester nog geïntroduceerd kan worden nadat er reeds verzuim is ontstaan c.q. nadat al een deel van de betalingsverplichtingen is nagekomen. Vordering wordt toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling aan eiser van het restant van de overeengekomen waarborgsom (€ 207.250,--) alsmede het overeengekomen vergoedingsbedrag (€ 10.000,--).
Rechters
Advocaten
- H. Kroon
- R. de Mooij
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
