Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2017:1975

Rechtbank Den Haag · 09-02-2017 · zaaknummer AWB 16/22061 en 16/22062

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 02-03-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser gedurende vijf maanden met referente in Duitsland heeft verbleven, dat gedurende die periode is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Richtlijn en dat gedurende die periode sprake was van gezinsleven. Verweerder houdt echter vast aan het beleid als vermeld in paragraaf B10/2.2 Vc dat het gezinsleven alleen is opgebouwd of bestendigd bij verblijf in de andere lidstaat van ten minste zes maanden. In geschil is of dit aspect van het beleid in strijd is met het Unierecht. Verweerder geeft met zijn beleid, voor zover het de termijn van zes maanden betreft, een onjuiste interpretatie aan artikel 7 van de Richtlijn en het arrest O. en B. Het Hof heeft in dit arrest geen expliciete termijn genoemd voor de periode dat een aanvrager in een andere lidstaat moet verblijven. Uit het arrest valt evenmin af te leiden dat de duur van verblijf substantieel moet zijn, zoals verweerder stelt. De term ‘substantieel’ wordt immers niet genoemd. Dat de woordkeuze van het Hof erop duidt dat de duur substantieel moet zijn, zoals te lezen is in antwoorden op kamervragen van 18 maart 2015 (Kamerstukken TK 2015, kenmerk 623617) en waaraan verweerder ter zitting heeft gerefereerd, volgt de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet. Anders dan verweerder stelt, valt uit het arrest O. en B. evenmin af te leiden dat de lidstaten (onbeperkte) ruimte hebben om zelf een termijn te stellen ter bepaling van wanneer sprake is van het opbouwen of bestendigen van het gezinsleven. De rechtbank wijst voorts op jurisprudentie van de Afdeling, waarin de Afdeling het arrest O. en B. interpreteert en toepast. De Afdeling heeft overwogen dat uit punt 53 van het arrest O. en B volgt dat indien het familielid van de burger van de Unie aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die hoedanigheid samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastlidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd, hij in beginsel bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht heeft. De rechtbank onderschrijft deze interpretatie van de Afdeling van het arrest O. en B. Het door verweerder gehanteerde beleid in paragraaf B10/2.2 Vc – voor zover het de verblijfsduur van zes maanden betreft – dient buiten toepassing te worden gelaten. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb en draagt verweerder op het door eiser verzochte verblijfsdocument EU/EER binnen vier weken na verzending van deze uitspraak aan eiser te verlenen.

Rechters

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.