ECLI:NL:RBDHA:2017:16291
Rechtbank Den Haag · 18-12-2017 · zaaknummer NL16.4010
Inhoudsindicatie
[Irak; vestigingsalternatief Bagdad; goede procesorde; brief UNHCR van 14 juni 2017] Samenvatting: Verweerder heeft aan een uit Dibis (provincie Ta’min) afkomstige Irakees in het besluit een vestigingsalternatief in Bagdad tegengeworpen. Vlak voor de zitting van de meervoudige kamer heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in Dibis gelet op het beleid in WBV 2017/2 geen sprake meer is van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000, en dat de vraag of terecht een vestigingsalternatief is tegengeworpen dus geen beantwoording behoeft. De rechtbank is van oordeel dat de goede procesorde zich er in dit geval tegen verzet om het door verweerder ingeroepen beleid en zijn daarop gebaseerde standpunt bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder geen goede verklaring heeft gegeven waarom hij niet eerder, dan pas enkele dagen voorafgaand aan de zitting, een beroep heeft gedaan op deze reeds op 29 maart 2017 in werking getreden beleidswijziging. Verweerder had eerder gebruik kunnen maken van deze mogelijkheid, nu het beroep eerder door de enkelvoudige kamer is behandeld en hij bij heropeningsbesluit van 13 oktober 2017 in kennis is gesteld van de beslissing om het beroep naar de meervoudige kamer te verwijzen in verband met de rechtsvraag of eiser een vestigingsalternatief heeft in Bagdad. De rechtbank acht daarnaast van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij, gelet op de aard van het gewijzigde standpunt, onvoldoende in staat is geweest hierop adequaat te reageren. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om WBV 2017/2 en het daarop gebaseerde standpunt buiten beschouwing te laten. Wat betreft het vestigingsalternatief heeft eiser onder andere gesteld dat hij zich niet kan vestigen in Bagdad-stad, waartoe hij een beroep heeft gedaan op een brief van de UNHCR aan advocaat mr. Hol van 14 juni 2017. De rechtbank verwijst in de eerste plaats naar vaste jurisprudentie van de Afdeling en deze zittingsplaats, waaruit volgt dat de voor Bagdad geldende toegangseisen geen onoverkomelijke eisen zijn en een vestigingsalternatief dus aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de brief van UNHCR geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. De in deze brief opgenomen informatie over terugkeerders uit het buitenland wijkt niet af van de informatie in een eerder rapport van de UNHCR van 12 april 2017. Blijkens de voetnoten in deze brief is deze informatie (voornamelijk) gebaseerd op het rapport van de UNHCR van 12 april 2017. Dit laatste rapport is al betrokken bij de uitspraken van de Afdeling van 3 juli 2017 en van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 juni 2017. Dat de in de brief opgenomen informatie over de lastige toegang tot Bagdad voor binnenlandse ontheemden in de praktijk ook zal gelden voor terugkeerders uit het buitenland, omdat de Iraakse autoriteiten dit onderscheid niet kunnen maken, heeft eiser niet onderbouwd. Beroep ongegrond.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
