ECLI:NL:RBDHA:2017:1491
Rechtbank Den Haag · 02-02-2017 · zaaknummer AWB - 16 _ 6416
Inhoudsindicatie
Eiser is als IT-manager in dienstbetrekking bij X Services BV. Ter gelegenheid van de aankoop van het X concern door een participatie maatschappij in 2005 kreeg ook het management van X de mogelijkheid om te participeren in het concern. Eiser werd als manager uitgenodigd daaraan deel te nemen. Hij is daarop ingegaan en heeft destijds 15 certificaten verworven die werden uitgegeven door een stichting administratiekantoor. Genoemde certificaten werden uitgegeven ter financiering van een winstdelende lening die werd verstrekt aan WF BV ten behoeve van de managementparticipatie. In 2011 is het X concern weer verkocht met als gevolg een aflossing van de winstdelende lening en een uitkering op de certificaten. Aan eiser is een aanslag opgelegd waarbij de belasting over de uitkering op de certificaten is nagevorderd. In geschil is of die navorderingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of sprake is van een nieuw feit en zo ja, of verweerder een ambtelijk verzuim heeft begaan. Is dat laatste het geval dan is in geschil of eiser te kwader trouw heeft gehandeld. Tevens is in geschil of sprake is van door eiser genoten resultaat uit een lucratief belang. Eiser stelt dat geen sprake is van een nieuw feit, daar in de eerste aangifte de door hem ontvangen betaling als resultaat uit overige werkzaamheden is aangegeven, en in de tweede herziene aangifte bij het resultaat uit overige werkzaamheden de betaling is vermeld. Eiser heeft daarbij aangegeven dat mogelijk sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een ambtelijk verzuim begaan. Naar aanleiding van de herziene aangifte heeft verweerder weliswaar een onderzoek ingesteld maar dat had alleen betrekking op een lijfrentepremie aftrek; naar het resultaat uit overige werkzaamheden is geen onderzoek ingesteld, terwijl daar wel aanleiding voor was. Hierdoor is navordering niet mogelijk ondanks dat sprake zou zijn van een nieuw feit. Met hetgeen verweerder daartoe heeft aangevoerd, is de kwader trouw wel aannemelijk geworden. Eiser had zich voorafgaand aan het doen van aangifte laten adviseren over de belastbaarheid van de uitkering en was – anders dan hij doet voorkomen – goed geïnformeerd over zijn investering door middel van certificaten in WF BV. Ondanks dat heeft eiser in de eerste noch in de herziene aangifte melding gemaakt van de uitkering op de certificaten. Verweerder was bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de investering in de certificaten valt onder de termen van een lucratief belang zoals omschreven in artikel 3.92b van de Wet IB 2001. De door eiser genoten uitkering op de certificaten is derhalve belastbaar op die grond. Beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
