ECLI:NL:RBDHA:2017:14848
Rechtbank Den Haag · 22-11-2017 · zaaknummer AWB 17/7259
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat de toetsing aan artikel 3.86 van het Vb 2000 in het bestreden besluit niet voldoende blijk geeft van een onderzoek naar alle feitelijke en juridische gegevens die gaan over de situatie van eiser in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Met name blijkt uit het besluit onvoldoende dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de lengte van eisers rechtmatige verblijf, de aard van de gepleegde delicten, de ernst van de delicten in de loop van der jaren, de geestelijke toestand van eiser en de vraag in hoeverre die in causaal verband staan tot het delinquente gedrag en, tot slot, het actuele situatie waarin eiser verkeert en waarvan eisers gemachtigde heeft uiteengezet dat die gestabiliseerd (niet-crimineel) is. Aldus is het bestreden besluit ten aanzien van het inreisverbod onvoldoende gemotiveerd en dient het te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Bij de beoordeling van de intrekking van de asielvergunning stelt de rechtbank voorop dat in de Nederlandse rechtspraktijk de toekenning van de vluchtelingenstatus en het verstrekken van een verblijfstitel samenvalt. Anders is dit in de systematiek van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 (de Kwalificatierichtlijn) en het Vlv, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de toekenning van de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus en de daarop volgende verlening van een verblijfstitel. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Kwalificatierichtlijn bij het nemen van het bestreden besluit ten aanzien van eiser van belang was. Dat eiser naar de maatstaf van artikel 11 van de Kwalificatierichtlijn niet langer als vluchteling zou worden beschouwd is niet van belang. Het niet langer zijn van vluchteling is in het Nederlands recht niet omgezet als grondslag voor intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De in 1993 aan eiser verleende vluchtelingenstatus is niet ingetrokken voordat het bestreden besluit. Bij het nemen van het bestreden besluit was eiser dus in het bezit van de vluchtelingenstatus en het niet langer zijn van vluchteling kan geen grond vormen om hem deze status te ontnemen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2015, H.T. tegen Land Baden-Württemberg (ECLI:EU:C:2015:413, punt 95). De implementatie van artikel 14, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn is niet volledig. Om de effectieve werking van het Unierecht te verzekeren, kan verweerder bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet voorbijgaan aan de voorwaarden en motiveringsvereisten die de Kwalificatierichtlijn aan de intrekking stelt. Gezien het hierboven reeds aangehaalde arrest H.T. tegen Land Baden-Württemberg (zie met name overwegingen 70-80), dient verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning asiel het openbare ordecriterium zo in te vullen dat wordt onderzocht of sprake is van een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
