ECLI:NL:RBDHA:2017:13556
Rechtbank Den Haag · 22-11-2017 · zaaknummer C-09-529572-HA ZA 17-333
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige overheidsdaad. Misdragingen Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947. Eisers stellen dat hun vaders onrechtmatig geëxecuteerd zijn. Het verjaringsverweer van de Staat wordt gehonoreerd. De vorderingen waren ogv de ‘Verjaringswet’ van 31 oktober 1924, Stb. 482 op 31 december 1952 verjaard. Bij beantwoording van de vraag of het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoekt de rechtbank, net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1947-1949 aansluiting de bij de gezichtspunten zoals geformuleerd in het arrest HR 28 april 2000, NJ 2000, 430. Net als in eerdere zaken over misdragingen van Nederlandse militairen in Nederlands-Indië in 1946-1949, acht de rechtbank het bij de toepassing van gezichtspunt g passend om de redelijke termijn waarbinnen aansprakelijkstelling dient plaats te vinden en een vordering tot schadevergoeding dient te zijn ingesteld te laten aanvangen op het moment waarop de eisers daadwerkelijk op de hoogte waren van de mogelijkheid om de Staat aansprakelijk te stellen en in rechte te betrekken. Eisers zijn in 2013 daarvan op de hoogte geraakt. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van eisers dat het toen voor hen geen zin had een vordering in te stellen, omdat in het vonnis in de Rawagedeh-zaak (ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793) was overwogen dat een beroep van de Staat op verjaring jegens de kinderen zal wel kunnen slagen. Dat werd volgens eisers anders toen deze rechtbank in het vonnis van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:2442) overwoog dat er geen grond is om bij een beroep op verjaring in deze gevallen onderscheid te maken tussen weduwen en kinderen. De rechtbank oordeelt dat het te ver voert om op basis van het vonnis in de Rawagedeh-zaak tot maart 2015 te spreken van een ‘hypothetische mogelijkheid’ om een vordering in te stellen. Het zou in strijd met de rechtszekerheid zijn om de aanvang van de in gezichtspunt g bedoelde termijn afhankelijk te laten zijn van het tijdstip waarop een procedure tegen de Staat naar de inschatting van eisers voldoende kans van slagen heeft. Met de in december 2016 uitgebrachte dagvaarding is de redelijke termijn als bedoeld in gezichtspunt g overschreden. Dat leidt ertoe dat het beroep op verjaring van de Staat slaagt.
Advocaten
- A. Vossenberg
- K. Teuben
- L. Zegveld
- R.S.I. Lawant
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
