ECLI:NL:RBDHA:2017:13056
Rechtbank Den Haag · 13-11-2017 · zaaknummer C/09/508201 / HA ZA 16-364
Inhoudsindicatie
De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van een verzoek tot het openstellen van een tussentijds hoger beroep moet worden aangemerkt als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in beginsel ook geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechtbank jegens verzoeksters een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeksters dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer overweegt dat enkel uit het feit dat een motivering voor de eerste twee afwijzingen ontbreekt en een beslissing op het derde verzoek is uitgebleven, hoe onbevredigend voor verzoeksters ook, op zichzelf niet zonder meer de vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven rechtvaardigt. Een processuele beslissing als deze behoeft immers geen nadere motivering, maar behoeft slechts tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk te zijn. De door verzoeksters aangevoerde omstandigheid dat de aanwezige connexiteit tussen de genoemde zaken vanuit het oogpunt van efficiëntie het openstellen van een tussentijds hoger beroep mogelijk verdedigbaar maakt, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de afwijzing van dit verzoek zo onbegrijpelijk is dat dit bij verzoeksters terecht vrees van vooringenomenheid teweeg heeft gebracht. Het onbeantwoord blijven van het derde verzoek leidt, bezien tegen de achtergrond van de twee eerdere afgewezen verzoeken, naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin tot het aannemen van de schijn van partijdigheid en kan niet tot een geslaagde wraking leiden. De in de aanvulling genoemde wrakingsgronden aangaande de zittingsdatum, het ambtshalve splitsen van de zaken en het voortijdig publiceren van één van de einduitspraken zijn tardief. Op deze punten zijn verzoeksters niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking. Voor wat betreft de grond die ziet op het bekend worden van de datum van deze wrakingszitting bij derden overweegt de wrakingskamer dat deze grond weliswaar tijdig is ingediend, maar niet valt te herleiden tot enig handelen van de hier gewraakte meervoudige kamer. Ook deze grond kan dan ook niet tot een geslaagde wraking leiden. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
