ECLI:NL:RBDHA:2016:9625
Rechtbank Den Haag · 05-08-2016 · zaaknummer AWB 16/7837
Inhoudsindicatie
Irak, Bagdad, 3 EVRM, 15c Definitierichtlijn, gemengde soennitisch/sjiitische relatie, alleenstaande vrouw Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal van 5 oktober 2015, terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie. Het geweld in Bagdad-stad onderscheidt zich naar het oordeel van de rechtbank van het geweld in de in paragraaf C7/13.4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) genoemde gebieden, waaronder de ‘Bagdad-belts’, waar gestreden wordt door en tegen ISIS. Zoals het Upper Tribunal heeft overwogen, wordt het geweld in Bagdad-stad met name veroorzaakt door sporadische terroristische aanvallen en niet door “all out fighting”. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat per (zelfmoord)aanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Daarnaast volgt uit de uitspraak van het Upper Tribunal dat het dagelijks leven in Bagdad-stad doorgaat ondanks alle geweldsincidenten in de stad. Verweerder heeft terecht als ondersteunend argument gebruikt dat, anders dan in de 15c-gebieden als aangeduid in voornoemd beleid in paragraaf C7/13.4.1 Vc, minder sprake is van een wegtrekkende bevolking en dat juist sprake is van ontheemden die naar Bagdad trekken. Uit de door eiseres overgelegde informatie volgt geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in Bagdad ten opzichte van de periode die aan de orde was in de uitspraak van de Upper Tribunal. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal (paragraaf 136), terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat eiseres soenniet is, gelet op de positie van soennieten in Bagdad, niet reeds op zichzelf meebrengt dat zij bij terugkeer naar Bagdad een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Uit de door eiseres aangehaalde informatie blijkt weliswaar dat sprake is van ontvoeringen, verdwijningen en deportaties van soennieten uit delen van Irak, maar niet is gebleken dat soennieten in Bagdad-stad systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Het beroep op het Country Expert Report van Dr. Rebwar Fatah van 10 maart 2016, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man met een Iraaks/sjiitische achtergrond niet tot de conclusie leidt dat zij bij terugkeer om die reden een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Het beroep van eiseres op de uitspraak van het Upper Tribunal van 16 mei 2011 leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat thans geen sprake is van een huwelijk tussen eiseres en haar partner en eiseres ook heeft gesteld dat haar partner haar niet zal volgen naar Irak, volgt uit voornoemde uitspraak dat in Irak, en meer in het bijzonder in Bagdad, geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade voor personen uit een gemengd soennitisch/sjiitisch huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiseres zonder haar partner terugkeert naar Irak, verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid, zoals neergelegd in par. C7/13.4.3 Vc, waarin alleenstaande vrouwen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak zijn aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van par. C2/3.3. Vc. Er is immers niet voldaan aan de voorwaarden van het beleid, dat sprake dient te zijn van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen. Verweerder heeft op goede gronden in aanmerking genomen dat eiseres in de voorgaande asielprocedure geen zelfstandig asielrelaas had en dat het asielrelaas van de vader van eiseres bij het eerdere besluit van 27 mei 2010 ongeloofwaardig is geacht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte bij zijn standpunt betrokken dat eiseres haar gestelde vrees voor ernstige schade van de zijde van haar familie vanwege haar relatie met een sjiitische man niet aannemelijk heeft gemaakt. Beroep ongegrond.
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
