ECLI:NL:RBDHA:2016:6018
Rechtbank Den Haag · 13-05-2016 · zaaknummer 16/7663 en 16/7665
Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Dublin, Bulgarije, vergewisplicht Wetsartikelen: artikel 20, lid 5, Dublinverordening, artikel 3 EVRM, artikel 4 Handvest Samenvatting: Bulgarije heeft het terugnameverzoek van Nederland geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Tussen partijen is discussie over wat deze acceptatiegrond zegt over de status van de asielprocedure van eisers in Bulgarije. De status van de asielprocedure in Bulgarije is van belang voor het antwoord op de vraag hoe eiser bij terugkeer wordt opgevangen. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 20, vijfde lid volgt dat Bulgarije ervan uitgaat dat eisers eerste verzoek om internationale bescherming dat hij bij de Bulgaarse autoriteiten heeft ingediend, is ingetrokken. Verweerders standpunt dat uit de acceptatiegrond blijkt dat de asielprocedure van eiser in Bulgarije nog loopt, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Eiser heft gesteld dat bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico dreigt voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en/of 4 van het Handvest. Hij heeft in dat kader onder meer een beroep gedaan op het Aida-rapport van oktober 2015 en het ECRE/ELENA-rapport van februari 2016. Uit de door eiser aangehaalde rapporten blijkt niet of een vreemdeling van wie het verzoek om internationale bescherming in Bulgarije is ingetrokken en in het kader van de Dublinverordening terugkeert naar Bulgarije, zoals in dit geval, na aankomst in Bulgarije wordt gedetineerd of naar een opvangcentrum wordt overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet uit te sluiten dat eiser na overdracht aan Bulgarije zal worden gedetineerd. Gelet op de detentieomstandigheden die uit de rapporten blijken en de door eiser aangevoerde en door verweerder geloofwaardig geachte persoonlijke ervaringen in detentie in Bulgarije, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gegeven zijn vergewisplicht, zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat door overdracht van eiser aan Bulgarije geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder is van de onjuiste veronderstelling uitgegaan dat het asielverzoek van eiser in Bulgarije nog loopt en heeft zijn standpunt over wat eiser in Bulgarije staat te wachten aan opvang onvoldoende gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. De voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
