ECLI:NL:RBDHA:2016:3775
Rechtbank Den Haag · 01-04-2016 · zaaknummer AWB 15/22148
Inhoudsindicatie
Betreft beoordeling geloofwaardigheid asielrelaas van een Somaliër, behorend tot de minderheidsclan Reer Hamar, subclan Hamoudi. Het relaas gaat over gebeurtenissen in Somalië in de periode van 1990 tot 1991, toen eiser de leeftijd van 14 tot 15 jaar had. De asielaanvraag dateert van 2 juni 2015, de datum waarop eiser in Nederland is aangekomen, derhalve 25 jaar na de gestelde gebeurtenissen. Verweerder acht twee van de vijf relevante elementen van het relaas ongeloofwaardig omdat eiser tegenstrijdige, ongerijmde, vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Met name werpt verweerder hem tegen dat hij niet in staat is gebleken om de datum of de maand te noemen waarin de gebeurtenissen in 1990 hebben plaatsgevonden. De in de zienswijze genoemde verschonende omstandigheden gaan volgens verweerder niet op, nu het om ingrijpende gebeurtenissen gaat. Eiser stelt in beroep dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid Werkinstructie 2014/10 niet in acht heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het gestelde in de zienswijze over de genoemde verschonende omstandigheden (de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de gebeurtenissen, het tijdsverloop sindsdien tot aan het nader gehoor en culturele aspecten zoals het omgaan met (exacte) data in de Somalische cultuur) er niet toe leidt dat de genoemde vage of tegenstrijdige verklaringen verschoonbaar worden geacht. Uit het bestreden besluit blijkt ook niet dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid rekening is gehouden met andere verklaringen van eiser, waaruit blijkt dat hij de gebeurtenissen wel in een chronologisch tijdsverloop kan plaatsen en dat verweerder deze verklaringen van eiser heeft afgewogen tegen de omstandigheid dat eiser geen concrete data of maandaanduidingen heeft kunnen aangeven. Het bestreden besluit geeft er verder geen blijk van dat de verklaringen van eiser zijn vergeleken met informatie uit objectieve bronnen over de feitelijke situatie destijds in Somalië. De rechtbank concludeert dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser niet overeenkomstig het gestelde in de Werkinstructie 2014/10 heeft plaatsgevonden, zodat het bestreden besluit reeds daarom niet in stand kan blijven. Verweerder zal de geloofwaardigheid van de relevante elementen opnieuw moeten beoordelen overeenkomstig de werkinstructie. Daarnaast volgt de rechtbank de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1514) en oordeelt zij dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu er geen rechtvaardiging is voor het verschil in behandeling van leden van de minderheidsclan Reer Hamar, die op grond van WBV 2012/24 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, en onder b, Vw en leden van dezelfde clan die op grond van WBV 2015/7 niet meer in aanmerking komen voor zo’n vergunning.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
