ECLI:NL:RBDHA:2016:2503
Rechtbank Den Haag · 08-03-2016 · zaaknummer AWB - 14 _ 9575
Inhoudsindicatie
Onderwerp: Afwijzing verblijfsvergunning asiel; terugkeerbesluit; inreisverbod Samenvatting: De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag staat in rechte vast. Op grond hiervan is tegen eiser een zwaar inreisverbod uitgevaardigd. Zolang het zware inreisverbod voortduurt, heeft eiser geen belang bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een asielvergunning. Of eiser voldoet aan de vereisten voor verlening van een asielvergunning, kan ten volle aan de orde worden gesteld in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van het zware inreisverbod. Naar het oordeel van de rechtbank kan het jegens eiser uitgevaardigde inreisverbod stand houden. Hiertoe heeft zij geoordeeld dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag onverminderd aan eiser kan worden tegengeworpen en hij mitsdien geen geslaagd beroep op het Vluchtelingenverdrag kan doen. Dit leidt tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid en hij niet ten onrechte jegens eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of verweerder desondanks in de door eiser aangevoerde verblijfsrechtelijke aspecten al dan niet aanleiding had moeten zien om geen inreisverbod uit te vaardigen of de duur ervan te verkorten. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM loopt. Evenmin is in geschil dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting. De vraag is of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te handhaven, is disproportioneel. De rechtbank is in dat kader van oordeel dat verweerder bij de afweging van de door eiser aangevoerde belangen, afgezet tegen het algemeen belang dat Nederland geen toevluchtsoord wordt voor personen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, in redelijkheid aan het algemeen belang doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen. Het onthouden van een verblijfsvergunning is niet disproportioneel. De rechtbank is verder op grond van verweerders belangenafweging van oordeel dat uit het recht op respect voor het gezins- of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM van eiser voor verweerder niet de verplichting voortvloeit om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Het beroep, voor zover gericht tegen het zwaar inreisverbod, is ongegrond. Gegeven die beslissing wordt het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
