ECLI:NL:RBDHA:2016:1880
Rechtbank Den Haag · 19-02-2016 · zaaknummer 15/12923
Inhoudsindicatie
beoordeling geloofwaardigheid seksuele gerichtheid, vaste gedragslijn verweerder, interne werkinstructie In deze zaak is door verweerder op 17 juli 2015 gevraagd om aanhouding daarvan omdat verweerder zich wilde beraden op de uitspraak van de ABRS van 8 juli 2015. Bij brief van 20 augustus 2015 stelt verweerder dat door hem sinds medio 2014 een vaste gedragslijn bestaat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid. In zijn brief van 28 augustus 2015 wijst eiser erop dat verweerder dit op 17 juli 2015, toen om aanhouding werd verzocht, ook al bij verweerder bekend moest zijn geweest. Nadat het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Awb bij uitspraak van 1 oktober 2015 gegrond is verklaard, heeft verweerder verzet ingesteld. Dit verzet is behandeld en gegrond verklaard ter zitting van 12 februari 2016. In het aanvullende verzetschrift van 1 februari 2016 en ter zitting heeft verweerder gemeld dat de in de brief van 20 augustus 2015 bedoelde ‘vaste gedragslijn’, die later ook ‘de interne werkinstructie van 14 april 2014’ is genoemd, in feite een (intern) informatiebericht behelst van 14 april 2014, een informatiebericht dat aan alle medewerkers van verweerder is meegedeeld. In tegenstelling tot hetgeen in het verzetschrift is gemeld, is dit informatiebericht / deze ‘gedragslijn’ wel ter zitting bij de Afdeling op 18 december 2014 genoemd, maar bij de Afdeling is dit bericht / deze gedragslijn aangeduid als ‘trainershandleiding’. Deze ‘trainershandleiding’ is ten overstaan van de Afdeling zeer summier beschreven, aldus verweerder, nu niet aan de hand van de dossiers die bij de Afdeling voorlagen in detail kon worden toegelicht hoe de besluitvorming conform de ‘gedragslijn’ in de praktijk gestalte krijgt. Ter zitting is gebleken dat de interne gedragslijn / de interne werkinstructie / het interne informatiebericht / de trainershandleiding niet is opgesteld in samenwerking met bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC (hierna: COC). Ook is niet bekend of het standpunt van het COC of andere belangenorganisaties of deskundigen hierin naar voren komt. De vragen die kunnen worden gesteld aan de hand van een aantal thema’s zijn niet opgesteld in samenwerking met belangenorganisaties of deskundigen. Volgens verweerder moet zijn onderzoekssystematiek in deze zaken zijn af te leiden uit de vragen zoals die in de gehoren zijn gesteld en uit de clustering in onderwerpen of thema’s. De weging van de antwoorden moet uit het besluit zijn af te leiden. Er is inmiddels een gepubliceerde werkinstructie (WI), WI 2015/9, waarin volgens verweerder de ‘interne werkinstructie’ is opgenomen, zij het niet één op één. In de gepubliceerde WI is volgens verweerder, naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling, duidelijker opgenomen hoe de weging is van de antwoorden op de vragen uit de verschillende thema’s. Gezien het bestreden besluit, verweerders nadere uitleg daarvan en het hiervoor geciteerde oordeel van de Afdeling, waarbij de rechtbank zich aansluit, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de voorliggende zaak (nog steeds) onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid heeft verricht en hoe zijn beoordeling daarvan heeft plaatsgevonden nadat het onderzoek is afgerond. Zoals verweerder (ter zitting) nader heeft toegelicht, ziet de door hem gesteld sinds medio april 2014 gevolgde vaste gedragslijn ofwel de interne werkinstructie/het interne informatiebericht/de trainershandleiding van 14 april 2014 op de wijze waarop het gehoor dient plaats te vinden en welke thema’s daarin aan de orde dienen te komen. Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder eiser daadwerkelijk conform deze gedragslijn heeft gehoord, blijkt uit de toelichting van verweerder dat deze gedragslijn niet inzichtelijk maakt hoe verweerder aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten. Deze gedragslijn voldoet reeds daarom niet aan de eisen genoemd in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Verder is niet gebleken dat deze gedragslijn en de daarbij gehanteerde thema’s in samenspraak met belangenorganisaties, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Verweerder heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste onderzoekssystematiek zoals bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verwijzing naar deze gedragslijn onvoldoende is om inzichtelijk te maken hoe verweerder de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van eiser in de onderhavige zaak heeft verricht. Aan het voorgaande kan de eerst na het bestreden besluit gepubliceerde werkinstructie 2015/9 niet afdoen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
