ECLI:NL:RBDHA:2016:16920
Rechtbank Den Haag · 23-12-2016 · zaaknummer AWB 16/11930
Inhoudsindicatie
Eisers verblijfsvergunning is in 2012 met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat achteraf is gebleken dat ten tijde van de aanvraag niet werd voldaan aan het middelenvereiste. Eiser heeft bij de aanvraag verklaard dat referente werkzaam was, maar dat was toen niet meer het geval. Door deze informatie niet te melden heeft eiser onjuiste informatie verschaft, althans gegevens achtergehouden die, indien zij bekend waren geweest, tot een afwijzing zouden hebben geleid. Dit besluit staat in rechte vast. Eiser heeft daarna meerdere keren opnieuw een mvv-aanvraag ingediend. Deze aanvragen zijn alle afgewezen, omdat eiser destijds onjuiste gegevens heeft verstrekt. Ook nu is dat het geval. Verweerder verwijst naar artikel 16, tweede en vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de toelichting daarop in de richtsnoeren. Hieruit volgt volgens verweerder dat de Europese Commissie het van cruciaal belang acht dat lidstaten maatregelen nemen om misbruik en fraude met betrekking tot de rechten die voortvloeien uit de Gezinsherenigingsrichtlijn tegen te gaan. Met WBV 2016/7 is het door verweerder op dit punt gevoerde beleid gewijzigd. In de toelichting op het WBV staat dat verweerder een te strenge toetsingspraktijk hanteerde en dat dit leidde tot een onwenselijke uitvoeringspraktijk. Het beleid wordt daarom gewijzigd en verweerder dient een individuele toets uit te voeren met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 Awb. Uit de toelichting volgt ook dat verweerder al voor de inwerkingtreding van WBV 2016/7 ondanks het imperatief geformuleerde beleid gehouden was per geval te bezien of aanleiding bestond de weigeringsgrond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000 toe te passen met inachtneming van de evenredigheidstoets. Dat betekent dat verweerder ook in dit geval, waar het besluit dateert van voor inwerkingtreding van WBV 2016/7, had dienen te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank dient de invulling van deze evenredigheidstoets in overeenstemming te zijn met hetgeen in de Gezinsherenigingsrichtlijn hierover is opgenomen. De vraag ligt voor of verweerder deze evenredigheidstoets in dit geval op juiste wijze heeft toegepast. Hoewel eiser kan worden verweten dat hij de beëindiging van het dienstverband niet heeft gemeld, heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat geen sprake was van een gefingeerd dienstverband of schijnrelatie. Verweerder had deze omstandigheden dienen te betrekken bij de evenredigheidstoets en daarbij het belang van eiser moeten afzetten tegen in hoeverre het algemene belang is geschaad door het enkele niet melden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door vast te houden aan een termijn van vijf jaar, waardoor de kinderen en referente gedurende vijf jaar geen gezinsleven in Nederland met eiser kunnen uitoefenen, in het licht van de aard en ernst van het vergrijp in dit geval in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het motiveringsvereiste van artikel 7:12, van de Awb.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
