ECLI:NL:RBDHA:2016:16775
Rechtbank Den Haag · 09-12-2016 · zaaknummer AWB 13/27952
Inhoudsindicatie
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag van het inburgeringsexamen, en de daarmee verband houdende kosten, is neergelegd in de Wet inburgeringsvereiste, op grond waarvan niet verweerder, maar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bevoegd is te beslissen op dit deel van het bezwaarschrift. Partijen zijn het ook met elkaar eens dat de minister van SZW en niet verweerder bevoegd is op het bezwaarschrift ten aanzien van de hoogte van het examengeld te beslissen. Verweerder heeft toegelicht dat de klacht van eiseres over de hoogte van de examengelden ter afhandeling is doorgestuurd naar de minister van SZW. De rechtbank stelt vast dat verweerder in absolute zin onbevoegd was. Uitgangspunt is dat het lidstaten vrijstaat om de afgifte van verblijfsvergunningen op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn afhankelijk te stellen van de inning van leges. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie (te weten onder meer het arrest van 9 juli 2015, inzake K. en A, ECLI:EU:C:2015:453 en het arrest van 2 september 2015, inzake CGIL, ECLI:EU:C:2015:523) volgt dat daarbij door het Hof een absolute maatstaf is gegeven en dat de door verweerder geheven leges niet hoger dan een bepaald bedrag mogen zijn. Het is - zo volgt uit de jurisprudentie van het Hof - aan de nationale rechter om te beoordelen of de hoogte van de leges een belemmering vormt voor de uitoefening van de door de Gezinsherenigingsrichtlijn toegekende rechten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verweerschrift en met zijn toelichting daarop ter zitting voldoende gemotiveerd toegelicht dat het geheven legestarief van € 225,- niet onevenredig is en in dit geval geen belemmering vormt voor de uitoefening van de door de Gezinsherenigingsrichtlijn aan referent en eiseres toegekende rechten.
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
