ECLI:NL:RBDHA:2016:13312
Rechtbank Den Haag · 02-11-2016 · zaaknummer AWB 16/22708 en 16/22709
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat uit Eurodac is gebleken dat de echtgenote van eiser op 9 februari 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser voert aan dat niet is gebleken dat hij een aanvraag heeft ingediend in Duitsland. De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van eiser, dat niet is gebleken dat hij een aanvraag heeft ingediend in Duitsland, dat de indiening van een asielverzoek in de zin van artikel 18, eerste lid, onder b, Verordening, vormvrij is en dus ook mondeling kan worden kenbaar gemaakt. Nu de Duitse autoriteiten in het claimakkoord van 17 augustus 2016 hebben verklaard dat zij de verantwoordelijkheid accepteren, ondanks dat eiser nog geen formele asielaanvraag heeft ingediend, kon verweerder ervan uitgaan dat eiser (mondeling) een asielaanvraag heeft ingediend, te meer nu de Duitse autoriteiten hebben verklaard dat aan eiser een BÜMA is verstrekt. Het beroep op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, leidt niet tot een ander oordeel. Ter staving van het oordeel van de rechtbank in die uitspraken dat een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste lid aanhef en onder b, Verordening een formeel (schriftelijk) verzoek dient te zijn heeft de rechtbank in haar uitspraken verwezen naar een viertal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De eerste is die van 4 oktober 2011. In de eerste zin van rechtsoverweging 2.4 van deze uitspraak maakt de Afdeling duidelijk dat een door de vreemdeling geuite asielwens als een asielverzoek kan worden aangemerkt. In de tweede volzin maakt de Afdeling vervolgens duidelijk dat een asielverzoek voor wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat geacht wordt te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een formulier. De tweede uitspraak van de Afdeling waarnaar de rechtbank verwijst van 17 mei 2013 (JV 2013/04), heeft ook specifiek betrekking op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient, op welk tijdstip dient te worden vastgesteld welke lidstaat met toepassing van de in hoofdstuk 3, Verordening vastgestelde criteria verantwoordelijk is. Hetzelfde geldt voor de door de rechtbank genoemde uitspraken van de Afdeling van 30 april 2014 (JV 2014, 200) en van 24 juni 2016 (JV 2016, 222). Naar het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats kan een formeel asielverzoek ter vaststelling van het tijdstip waarop dient te worden vastgesteld welke lidstaat volgens de criteria van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek niet op één lijn worden gesteld met een verzoek als bedoeld in artikel 18, eerste lid aanhef en onder b, Verordening dat ziet op de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een verzoeker die later in een andere lidstaat een nieuw asielverzoek heeft ingediend terug te nemen. Zoals in het eerste deel van deze rechtsoverweging is overwogen, volstaat hiervoor dat is vast komen te staan dat de vreemdeling een asielwens heeft geuit.
Rechters
Advocaten
- C.H. van den Berg
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
