Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:9972

Rechtbank Den Haag · 16-07-2015 · zaaknummer AWB 14/20082 en AWB 14/20084

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 24-08-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd, beëindiging verblijfsrecht Besluit 1/80, terugkeerbesluit, onthouding vertrektermijn, zwaar inreisverbod, standstillbepaling art. 13 Besluit 1/80, Europees Vestigingsverdrag, B11.4 Vc 2000, horen. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de standstillbepaling niet in de weg staat aan het uitvaardigen van een inreisverbod, omdat deze bepaling niet ziet op vreemdelingen die illegaal hier te lande verblijven: het besluit tot het intrekken van eisers verblijfsvergunning heeft tot gevolg dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, zodat hij niet onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder in dit standpunt niet worden gevolgd. Immers, eiser heeft tot en met de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80 legaal verblijf gehad, terwijl in dit geval sprake is van samenloop van bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80 enerzijds en het uitvaardigen van het inreisverbod tegen eiser anderzijds. Onder deze omstandigheden dient bij de boordeling of eiser onder de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 valt, uitgegaan te worden van de situatie ten tijde van de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van eisers aanspraken uit Besluit 1/80. Op dat moment viel eiser onder de werkingssfeer van de standstillbepaling artikel 13 van Besluit 1/80. Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar voor eiser geen aanscherping betekent ten opzichte van de situatie dat aan hem een ongewenstverklaring zou zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder ook in zijn subsidiaire standpunt niet worden gevolgd. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend. Voor zover verweerder beoogt te betogen dat het inreisverbod door een EU-richtlijn is voorgeschreven en dus mag worden uitgevaardigd niettegenstaande de standstillbepaling, overweegt de rechtbank dat uit de rechtspraak van HvJEU (het Hof) volgt dat de standstillbepaling niet alleen geldt als lidstaten hun nationale recht eigenhandig besluiten te wijzigen, maar ook als een wijziging in het nationale recht voortvloeit uit een door de Europese wetgever vastgestelde norm die zij geacht worden in hun nationale wetgeving te incorporeren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het inreisverbod een aanscherping is ten opzichte van de op 1 december 1980 (de datum van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80) bestaande maatregel van ongewenstverklaring en dus een nieuwe beperking is in de zin van voormelde bepaling. Immers, zoals ook eisers gemachtigde heeft aangevoerd, werkt een inreisverbod binnen de hele Europese Unie, terwijl een ongewenstverklaring enkel in Nederland werkt. Het inreisverbod beperkt eiser dus in zijn vrijheid om rechten uit Besluit 1/80 in andere lidstaten op te bouwen of uit te oefenen. Deze beperking bestond ten tijde van de inwerkingtreding van de standstillbepaling van artikel 13 van besluit 1/80 op 1 december 1980 niet. Op dat moment bestond enkel de maatregel van ongewenstverklaring en zoals reeds vermeld werkt deze enkel in Nederland, zodat een ongewenst verklaarde Turkse vreemdeling destijds niet in zijn vrijheid werd beperkt zich naar een andere lidstaat te begeven en aldaar rechten uit Besluit 1/80 op te bouwen of uit te oefenen. Dat een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur en een inreisverbod voor bepaalde duur is en volgens verweerder dus nationaal gezien een inreisverbod voor eiser gunstiger is dan een ongewenstverklaring, maakt het vorenstaande niet anders. Immers, bij een regeling als het Besluit 1/80 is juist het communautaire aspect van belang: dit besluit ziet immers ook op andere lidstaten. Dus dient, anders dan verweerder betoogt, niet enkel gekeken te worden naar wat het effect van het inreisverbod op nationaal niveau is, maar juist wat het effect op Europees niveau is. Uit het voorgaande vloeit voort dat het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Reeds hierom komt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het inreisverbod, voor vernietiging in aanmerking, onder gegrondverklaring van het beroep tegen het inreisverbod. Nu het inreisverbod zal worden vernietigd, terwijl de opheffing van eisers ongewenstverklaring bij het bestreden besluit thans in rechte vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, ontstaat daarmee alsnog belang bij beoordeling van eisers beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de beëindiging van zijn aanspraken uit Besluit 1/80. Eiser heeft zich beroepen op het Europees Vestigingsverdrag en paragraaf B11.4 Vc 2000, zoals deze luidde vóór 1 april 2013, waarin waarborgen uit voornoemd verdrag zijn neergelegd. Met name heeft eiser gesteld dat nu hij meer dan twee jaar rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, hij – conform voormelde regeling – op zijn bezwaar had moeten worden gehoord en voorts vier weken de gelegenheid had moeten krijgen om uit Nederland te vertrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door eiser niet op zijn bezwaar te horen in strijd heeft gehandeld met het bovenvermelde. Voor zover verweerder zou willen betogen dat het neergelegde in bovenvermelde paragraaf thans niet meer geldt omdat dit niet meer in de Vc 2000 is opgenomen, wijst de rechtbank erop dat – wat daar verder ook van zij – eiser – zoals hierboven reeds is overwogen – onder de werkingssfeer valt van artikel 13 van Besluit 1/80, zodat hij reeds op grond daarvan zich op voormelde paragraaf kan beroepen. Immers, indien eiser geen beroep (meer) zou mogen doen op voormelde voor hem gunstige paragraaf, zou dat een nieuwe beperking opleveren in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80. De rechtbank wijst er voorts op dat, anders dan het vermelde in artikelen 7:2 en 7:3 Awb over het horen en het afzien van het horen, in de bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 geen nadere eisen zijn gesteld aan het horen en voorts geen mogelijkheden zijn opgenomen om van het horen af te zien. Reeds het voldoen aan twee jaar rechtmatig verblijf, is – blijkens bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 – voldoende en dat betekent dat verweerder moet horen. In het licht van het vorenstaande, kan verweerder niet in zijn stelling worden gevolgd dat eiser in voldoende mate is gecompenseerd door het uitbrengen van een voornemen en het horen van eiser naar aanleiding van zijn zienswijze op dit voornemen voor het nemen van het primaire besluit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder door in dit geval een vertrektermijn van nul dagen te hanteren ten onrechte geen acht heeft geslagen op het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 dat wanneer het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is beëindigd, hij niet mag worden uitgezet voordat hem vier weken zijn gegund om te vertrekken naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating is gewaarborgd. Verweerder heeft ook in dit verband in strijd gehandeld met het vermelde in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000. De rechtbank wijst er verder op dat van de in bovengenoemde paragraaf van de Vc 2000 vermelde uitzondering, te weten dat de daarin vermelde speciale waarborgen niet gelden indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen, in dit geval gesteld noch gebleken is. Beroepen gegrond.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.