ECLI:NL:RBDHA:2015:8845
Rechtbank Den Haag · 10-03-2015 · zaaknummer AWB 14/20076 tussenuitspraak
Inhoudsindicatie
Betreft beëindiging van het verblijf van Unieburger op grond van richtlijn 2004/38/EG. Eiser is op 18 juli 2013 door de strafkamer veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf wegens een op 27 juni 2012 gepleegde poging tot diefstal met geweld, gepleegd in vereniging. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser, gelet op zijn persoonlijke gedrag, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Met betrekking tot het recidivegevaar neemt verweerder aan dat geen verbetering in eisers gedrag is opgetreden zodat de omstandigheden die maken dat eiser een actuele bedreiging van de openbare orde vormt, nog steeds aanwezig zijn. Voorafgaand aan en tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en hij heeft verzocht in de gelegenheid te worden gesteld dit te herstellen. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en daardoor op een ondeugdelijke motivering berust, nu verweerder voor het oordeel dat in dit geval sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, heeft volstaan met de motivering dat “uit niets wat u in bezwaar hebt aangevoerd (..) een gedragsverbetering” blijkt. Hiermee heeft verweerder miskend dat het op grond van de richtsnoeren de nationale autoriteiten zijn die moeten aantonen dat het persoonlijke gedrag van de betrokkene een bedreiging voor de openbare orde vormt. Voorts is hetgeen in het primaire besluit is overwogen, te weten dat verweerder “aanneemt” dat geen verbetering in het gedrag van eiser is opgetreden omdat hij in detentie verblijft, onvoldoende omdat de conclusie dat geen sprake is van een positieve verandering in het gedrag van de vreemdeling gebaseerd moet zijn op een deugdelijk onderzoek naar de feiten. De rechtbank stelt verweerder met toepassing van de bestuurlijke lus (artikel 8.51a Algemene wet bestuursrecht) in de gelegenheid het gebrek te herstellen
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
