Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:7836

Rechtbank Den Haag · 10-06-2015 · zaaknummer AWB 15/7676, 165/7675, 15/7666, 15/7664, 15/7672, 15/7670

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 08-07-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Artikel 8, tweede en vierde lid, en artikel 17 Dublinverordening. Verzoekers (grootmoeder, oom en minderjarig kind) hebben in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat Italië volgens verweerder verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen. De minderjarige verzoeker dient als een ‘niet-begeleide minderjarige’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening aangemerkt te worden. Verweerders standpunt, dat uit artikel 8, tweede lid, van de Verordening voortvloeit dat hij niet verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van de minderjarige verzoeker, is onjuist. Er is geen grond voor het oordeel dat sprake is van een familielid dat zich wettig in een andere lidstaat ophoudt, omdat, zoals verweerder stelt, de grootmoeder en oom van de minderjarige verzoeker in Italië een asielaanvraag zullen kunnen indienen op grond waarvan zij aldaar rechtmatig verblijf zullen hebben. Uit paragraaf C2/5.1 Vc volgt niet dat onder ‘wettig ophouden in een andere lidstaat’ tevens moet worden begrepen de situatie dat een vreemdeling wettig verblijf zal hebben zodra hij een asielaanvraag in die lidstaat indient. Dit is evenmin af te leiden uit de Preambule van de Verordening of de Memorie van Toelichting bij Wijzigingswet ter uitvoering van de Verordening. Op grond van artikel 8, vierde lid, van de Verordening is verweerder in beginsel verantwoordelijk voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag van de minderjarige verzoeker, mits dit in zijn belang is. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat daar in dit geval geen sprake van is, omdat het primaire belang van de minderjarige verzoeker is om niet gescheiden te worden van zijn grootmoeder en oom. Nu verzoekers niet hebben betwist dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van de grootmoeder en de oom, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het in het belang van de minderjarige verzoeker is dat Italië ook zijn asielverzoek zal behandelen. Daarom bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder wegens het belang van de minderjarige verzoeker om niet van zijn grootmoeder en oom te worden gescheiden, in redelijkheid niet ervan heeft kunnen afzien de asielaanvragen van grootmoeder en oom met toepassing van artikel 17 van de Verordening aan zich te trekken. Voorts heeft verweerder blijkens een memo van 4 maart 2015, naar aanleiding van het arrest Tarakhel, op 16 januari 2015 de Italiaanse autoriteiten een lijst met v-nummers, Italiaanse kenmerken en personalia toegezonden met het verzoek te bevestigen dat alle op de lijst genoemde gezinnen bij elkaar zullen worden gehouden op een daartoe geschikte opvanglocatie. De Italiaanse autoriteiten hebben op 17 februari 2015 gegarandeerd dat, na overdracht, alle gezinnen op de meegezonden lijst bijeen worden gehouden en worden ondergebracht in een opvangcentrum passend bij de leeftijd van de kinderen. Voorts heeft verweerder in de memo verklaard dat verzoekers op de door Italië meegezonden lijst worden genoemd en de garanties derhalve ook ten aanzien van hen zijn afgegeven. Ervan uitgaande dat verweerder de Italiaanse autoriteiten minstens vijftien dagen van de voren op de hoogte zal brengen van de feitelijke overdracht van verzoekers, dat de Italiaanse autoriteiten vervolgens zullen communiceren in welke specifieke accommodatie verzoekers zullen worden opgevangen en de ter zitting gedane toezegging van verweerder dat niet tot feitelijke overdracht zal worden overgegaan zolang die informatie niet is verkregen, bestaat thans geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat overdracht van verzoekers niet zal leiden tot een met artikel 3 EVRM strijdige situatie en dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van belangen van de minderjarige verzoeker indien hij met zijn grootmoeder en oom aan Italië zal worden overgedragen. Verzoekers hebben niet hun stelling onderbouwd dat in Italië voor de minderjarige verzoeker gezinshereniging met zijn ouders onredelijk lang zal duren.

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [verzoeker]

    verzoeker · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.